Succes
De receptioniste van het Ambassade Hotel aan de Herengracht te Amsterdam heeft het druk met de rekening van twee vertrekkende Amerikaanse heren. Ze knikt me vriendelijk toe en zegt op professionele toon: “Just a second, please.”
Via uitgeverij Luitingh en de CPNB heb ik een afspraak met thrillerauteur IAN RANKIN; hij is een paar dagen in het land omdat de Maand van het Spannende Boek van start gaat. Om 10:30 ben ik aan de beurt voor een interview en dat is pas over een half uur. Ruim veertig minuten later (Susan Vermeer van de KRO had wat meer tijd nodig dan gepland) haalt de medewerker van Luitingh me op en sta ik op de eerste verdieping oog in oog met een der meest succesvolle thrillerauteurs in het Angelsaksisch taalgebied. Drieëntwintig boeken van zijn hand verschenen sinds 1982, zeventien daarvan hebben de eigenzinnige speurder JohnRebus als hoofdfiguur. Daarnaast schreef hij short stories, hoorspelen, essays en recensies op velerlei terrein. Het CPNB-geschenkboekje Schuld & Boete is dit jaar van zijn hand en verschijnt in een oplage van maar liefst 498.000 stuks. IanRankin mocht al veel prijzen in ontvangst nemen, waaronder in 2005 de prestigieuze Cartier Diamond Dagger – een oeuvreprijs die slechts enkele collega’s (en dan ook nog aan het eind van hun carrière) in ontvangst mochten nemen. Rankin is 46!
Schuld & Boete
Door de ruime vensters valt een zomers licht naar binnen dat de klassieke sfeer van het vertrek versterkt. Ian Rankin staat op van de chaise longue en schudt mij de hand. Vriendelijke ogen, nonchalant geknipt zwart haar, een uitnodigende glimlach. Hij wijst op mijn zwarte jeans, T-shirt en jasje en dan op zichzelf. “Men in black,’ grinnikt hij.
Dat ik geen journalistieke achtergrond heb verbaast hem even. Als ik vertel dat ik een interview doe voor de nieuwe website van het schrijverscollectief van Ellessy Crime slaat zijn verwondering om in enthousiasme. “Goed dat jullie dat oppakken! Promotie is zó vreselijk belangrijk! Grote uitgevers adverteren alleen voor boeken die toch al lekker lopen en de kleine spelers in het veld hebben er geen geld voor ....”
Schuld & Boete ligt op de salontafel voor hem. “Dostojevski,” zeg ik. “De favoriete auteur van John Rebus in uw allereerste boek Knots & Crosses.”
Rankin moet erom lachen. “Toen mijn Nederlandse uitgever vroeg of ik iets wilde schrijven voor de “Month of Suspense” begon ik eigenlijk meteen aan een nieuwe roman, maar ik ontdekte al gauw dat ik daarmee in tijdnood zou komen. Dus probeerde ik een novelle op te zetten, maar dat gaf hetzelfde probleem. Tenslotte leverde ik vier korte verhalen in waarvan ik zeker wist dat ze aspecten van mijn hoofdfiguur John Rebus naar voren brengen die in de romans niet zo aan bod komen. Eigenlijk is alleen Boetedoening een recent verhaal. Acid heb ik geschreven als een hoorspel voor de radio. Zeg me wie ik moet vermoorden is een paar jaar oud en Talkshow dateert al van een jaar of vijf, zes geleden en is eerder gepubliceerd in een onbeduidend tijdschrift.
Ik hou ervan om short stories te schrijven. Als ik een roman af heb schrijf ik er gewoonlijk een stuk of zes en meestal niet over Rebus. Het is mijn manier om zijn stem uit mijn kop te krijgen. Het is een goede manier om je vaste karakters een tijdje in de kast te zetten. Bovendien borrelen er altijd wel ideetjes omhoog die te weinig volume hebben om een hele roman te dragen - maar wel geschikt zijn voor een kort verhaal met een leuke twist in the end.
Omzien
Ik schakel even terug naar het eerste optreden van John Rebus in Knots & Crosses (door Luitingh in 2000 uitgebracht als Kat en Muis) en de voorliefde van de politieman voor Schuld & Boete van Dostojevski. “Dat was allemaal een vergissing,” bekent Rankin. “Ik heb het een paar dagen geleden nog eens doorgebladerd. Toen ik dat boek schreef studeerde ik nog letterkunde aan de universiteit en de Russen waren verplichte kost. Het gevolg was dat Rebus een veel te hoog literatuurgehalte kreeg. Hij citeerde er vrolijk op los en had overal in zijn appartement stapels boeken staan. Het karakter van John Rebus had nog onvoldoende vorm en inhoud – er zat teveel van mijzelf in. Als iemand toen precies had geweten waarop hij in Knots & Crosses moest letten dan had hij met het grootste gemak mijn ziel en zaligheid blootgelegd! Het is de minste van alle Rebusboeken. Als ik dat verhaal nu zou optekenen dan zag het er totaal anders uit. Het karakter van John Rebus ontwikkelt zich in de loop van de volgende boeken en dus stopt hij met het lezen van Dostojevski. De stapels met boeken verdwijnen uit zijn huis en hij geeft het luisteren naar jazz en klassieke muziek op. Hij begint naar rockmuziek uit de sixties te luisteren en dat is heel wat realistischer.”
Rankin bekent dat zijn eerste boek voor geen meter verkocht. Wat het wel opleverde was een contact met een Londense uitgeverij. Vóór Rebus had hij al een ander boek geschreven (The Flood, 1986) over zijn jeugd in een Schots mijnwerkersdorp. Daarvan werden er tweehonderd gedrukt – het merendeel kwam nooit in de handen van kopers terecht. Maar omdat hij een titel op zijn naam had durfde de Londense uitgever een avontuur met achthonderd stuks van Knots & Crosses in hard cover wel aan. “Het was een lange en moeizame weg,” bekent Rankin. “Maar zeker ook leerzaam. Pas na het achtste of negende boek met Rebus als hoofdpersoon sloeg het aan! Vanaf Black & Blue (1997, door Luitingh uitgebracht als Gerechtigheid) begon het ineens te lopen.”
Ik vraag hem of deze titel dan ook het eerste Rankin-boek was waarvan een televisieversie werd gemaakt. Dat klopt – en het bleek een bron van creatieve frustratie. In dit verhaal was een hoofdrol weggelegd voor de olie-industrie en omdat het te duur was om op zulke locaties te filmen gaf de producer de opdracht om dit element uit het script weg te schrijven. Daarmee verdween het centrale thema uit het verhaal. Eerlijk is eerlijk: ze hadden Rankin van tevoren gevraagd of hij bij het schrijven van het scenario betrokken wilde worden en hij had nee gezegd. “Uiteindelijk heb ik er niet meer naar omgekeken – ik heb het zelfs niet op de televisie gezien. Ik kon niet verdragen dat scènes waarvan ik wéét dat ze ijzersterk zijn zomaar uit het verhaal verdwenen. Niet omdat de producers die scènes slecht of waardeloos vonden, maar gewoon omdat het te duur was om de opnamen te maken! Dat vond ik zó destructief, daar werk ik nooit meer aan mee. Bovendien: als je voor de televisie schrijft zijn er tien, twaalf, veertien, twintig versies nodig voordat er iets definitiefs op tafel ligt. Gestóórd! Scripts schrijven is niets voor mij. Als ik een roman schrijf heb ik genoeg aan drie versies. That’s it! Meer zou me al gauw gaan vervelen want dan wil ik al weer met een nieuw idee aan het werk.”
Hoofdpersoon
Ik wil terug naar het karakter van John Rebus. Als hij in het eerste boek rudimentair ontwikkeld was, hoe is hij er dan aan toe in Rankins nieuwste boek, Fleshmarket Close (door Luitingh uitgebracht als De Rechtelozen)?
“In het eerste boek is hij veertig – in het nieuwe boek is hij achtenvijftig. Hij ontwikkelt zich in de loop van mijn boeken. Hij leert door de zaken waarbij hij betrokken is – die vormen hem als politieman en als persoon. Zijn werk houdt hem als mens overeind. Dat houdt dus in dat zijn grootste probleem er nog aankomt: Schotse politie-inspecteurs gaan verplicht met pensioen als ze zestig zijn. In mijn volgende boek is hij negenenvijftig en dan komt er nog een. Het boek waarin hij zestig wordt is het eind van de serie. Als iemand zijn werk van hem afpakt dan zal Rebus zich doodzuipen.”
De weerbarstige aard van John Rebus – zijn handelsmerk – zal zich uiteindelijk dus tegen hem keren. Hoewel de man gáát voor zijn werk en zijn overtuigingen hoort hij nergens echt bij: niet in een kerkgenootschap (hij heeft een religieus besef en woont dan eens hier, dan eens daar een dienst bij), niet in de organisatie van de politie (hij houdt niet van teamwerk en opereert het liefst alleen en buiten de conventies om), niet bij een gezin (hij heeft zijn vrouw en dochter van zich vervreemd – zij leven gescheiden van hem) en de weinigen die iets vriendschappelijks voor hem voelden heeft Rebus de deur uitgejaagd. Rankin geeft toe dat dit een weinig reëel beeld is. “Maar,” zegt hij, “laatst sprak ik de hoofdcommissaris van politie van Edinburgh! Ik zou er in the force wel een als John Rebus tussen willen hebben, zei hij – maar dan ook absoluut niet meer dan één!”
Misschien is er bij rechercheteams inderdaad wel eens ruimte voor een witte raaf, voor iemand die succesvol zijn eigen plan trekt, vanuit zijn instinct werkt en niets met computers heeft, merk ik op. Zijn dat niet de eigenschappen die de hoofdpersoon van een speurdersromans interessant maken? Hebben Morse en Dalgliesh dat met Rebus gemeen? Hij glimlacht. “Het zijn dinosaurussen,” zegt hij. “Gigantisch in een verhaal, maar in het echt bestaan ze niet meer.”
Jekyll & Hyde
In de Rebusboeken beweegt de rechercheur zich tussen de mensen aan de zelfkant van Edinburgh. Ian Rankin laat zijn lezers kennismaken met donkere buurten en gebeurtenissen, met locaties ver buiten de waarneming van de tienduizenden toeristen die de stad jaarlijks bezoeken. Robert Louis Stevenson schreef ook al over het duistere Edinburgh. Maakt Rankin bewust gebruik van een Dr. Jekyll and Mr. Hyde – effect?
De auteur geeft niet meteen antwoord. “Ik trok op mijn achttiende naar Edinburgh om te gaan studeren,” zegt hij. “Ik begreep weinig van de stad en haar inwoners. Stug, niet zo toegankelijk, zwijgzaam. Het was moeilijk om ze te leren kennen. Jekyll & Hyde is inderdaad typisch een boek over Edinburgh, hoewel Stevenson het merkwaardig genoeg in Londen situeerde! Edinburgh presenteert zichzelf graag aan de wereld als een fraaie stad met musea, kastelen, theaters en dat soort dingen. Maar in de tachtiger jaren van de vorige eeuw was er een aids-epidemie – om over de heroïne nog maar te zwijgen - en waren de volksbuurten er zo slecht aan toe dat er voedsel- en hulptransporten werden ingezet. En daar hoorde je niets over! Verdomme, het was Mr. Hyde net onder de oppervlakte. Je zou kunnen zeggen dat ik met de eerste twee Rebusboeken een bewuste poging heb gedaan om Jekyll & Hyde te updaten. Ik maak geen gebruik van een Jekyll & Hyde-effect. Edinburgh IS Jekyll & Hyde. In ben in de Rebusserie voortdurend met die materie in de weer geweest, het liep er als een rode draad doorheen. Wie Edinburgh een paar dagen bezoekt merkt er niets van, maar het is echt zo. Er is een elegante, rationele New Town waar alles leuk en aardig overkomt. Daarnaast is er een Old Town met gevaarlijke steegjes waar gewelddadigheid en criminaliteit vrij spel hebben. Er ligt letterlijk een stad onder de stad. Dat is pas algemeen bekend geworden en wezenlijk veranderd toen Rebus een gearriveerd figuur begon te worden. Nog niet eens zo lang geleden heb ik nog iets ontdekt toen ik een museum bezocht en de directeur mij herkende. Hij liet me een verzameling kleine witte doodskisten zien, met poppen erin. Alles was gevonden in een grot, ergens onderin de stad, in de dertiger jaren van de negentiende eeuw. Ik heb er een boek over geschreven, The Falls (2001, nog niet in een Nederlandse vertaling beschikbaar, wel al door de KRO vertoond). Toen het boek verscheen ontstond er een run op de kistjes in dat museum. Het is nu een attractie, maar vóór The Falls had niemand in Edinburgh er ooit over gehoord. Wie weet wat voor bizarre zaken daar nog meer verborgen zijn! Hoe dan ook: de Tourist Office is erg blij met John Rebus!”
Donkere kanten
Ik wil weten of ook het karakter van Ian Rankin donkere kanten kent.
“Dat moet wel,” zegt hij. “Waar komen anders al die verhalen vandaan? Ik denk dat thrillerschrijvers per definitie iets donkers hebben dat ze uit hun systeem willen lozen. Schrijven is een vorm van exorcisme. Het komt er op neer dat we alle zwarte gedachten kanaliseren in de richting van mooi blank papier. Gelukkig zijn we in het dagelijks leven allemaal behoorlijk in balans.”
The Crime Writers Association (de Britse evenknie van het GNM) telt bijna driehonderd leden. In tegenstelling tot “erkend literaire” auteurs gedragen de leden van de CWA zich als één grote vriendenkring. Zij organiseren conferenties, meetings en feestjes waarbij ze informatie uitwisselen en positieve feedback op elkaars werk geven.
“De reden is dat er heel lang op ons is neergekeken. We zaten in een ghetto, en in dat soort oorden vormen zich bendes. Je krijgt de mentaliteit van ‘wij tegen hun’ en dat schept een band. Maar daardoor zijn we ook sterker – we helpen elkaar als we ergens mee zitten. Crimewriters hebben niet zo de behoefte om elkaar af te zeiken of bijterig te doen. Literaire auteurs hebben dat wel, die zitten allemaal op hun eigen eilandjes. Thrillerschrijvers zijn graag bezig met social issues, met het echte leven – alles wat er over deze wereld te vertellen valt kun je immers kwijt in een thriller.”
Bij het afscheid dringt hij er op aan dat we die middag na de feestelijke aanbieding van Schuld & Boete samen een biertje met weinig schuim drinken.
“En,” vraagt hij tenslotte, “hoeveel thrillers heb jij al geschreven?”
“Drie,” zeg ik.
“Good,” antwoordt Ian Rankin. “Don’t worry, John. The best is still to come.”
Amsterdam, 30 mei 2006 ©John Brosens
Home