John Brosens, schrijver en dichter
Korte verhalen
John Brosens, schrijver en dichter
Korte verhalen
Een litteken met een geschiedenis
Een verhaal over een kistje, speciaal geschreven voor het Vlissings Archief.
Michael zit in de stress en dat is helemaal zijn eigen schuld. Dat weet hij natuurlijk zelf ook wel, maar het is heel vervelend als je vader dat op zaterdagochtend aan de ontbijttafel onder je neus wrijft, als je zusje Jacolien er ijverig ja bij zit te knikken en je moeder er vervolgens het zwijgen toe doet en de andere kant opkijkt. Gewoonlijk slapen ze uit op zaterdagochtend, maar vandaag zitten ze al om vijf over zeven aan de boterhammen met jam en de crackers met belegen kaas.
Het wordt een rot-weekend, dat weet Michael zeker.
Zijn ouders doen al jaren mee in de postcodeloterij en nu hebben ze een prijs gewonnen: ze gaan een weekend naar Amsterdam. Hun twee tassen staan al volgepakt in de gang en straks komt er een taxi om ze naar het station te brengen. Het is een hele reis van Vlissingen naar Amsterdam en dus moeten ze al vroeg op pad.
De prijs bestaat uit een overnachting in het Hilton Hotel, kaartjes voor het Vincent van Gogh Museum en tickets voor een musical in Carré. Alles voor twee personen. Dat betekent voor Michael en Jacolien twee dingen: dat ze niet mee kunnen en dat ze twee dagen lang aan Opa Pet en Oma Bloemie zijn overgeleverd, want die komen oppassen. En dat is nog niet alles. Opa Pet is de saaiste opa van Nederland en Oma Bloemie loopt de hele dag de plantjes water te geven en dorre blaadjes uit de potten weg te plukken.
“Ook al was de prijs een trip naar Amsterdam voor vier personen geweest dan had je van mij niet meegemogen, Michael,” zegt zijn vader streng. “Je moet maandag op school een werkstuk inleveren over de Tweede Wereldoorlog waar je vier weken de tijd voor hebt gehad. Dat is een hele maand waarin je niets hebt uitgevoerd; ik heb je alleen maar spelletjes op je computer zien doen. Ik heb je genoeg gewaarschuwd en ik heb zelfs aangeboden om je te helpen. Maar je doet altijd alles op het laatste nippertje en ik vind dat je er nu maar eens keihard tegenaan moet lopen. Ik hoop dat Meester Frans je stevig aanpakt als je maandag met lege handen in de klas staat!”
“Nou,” zegt Michael. “Het lukt me anders heus wel, hoor!”
“Zal mij benieuwen,” grinnikt zijn vader. “Ik geloof er niks van.”
“Ik ook niet,” beweert Jacolien.
En moeder zegt niets. Ze kijkt naar Michael en geeft hem een knipoog.
Je kunt het vast wel, zegt die knipoog.
Tien minuten later toetert er een auto in de straat. De taxi staat voor en oma en opa zijn er nog niet.
“Ik heb al gebeld, maar ze nemen niet op,” roept moeder in paniek.
“Ze zijn onderweg natuurlijk,” zegt vader geruststellend. “Als ze een mobieltje hadden zou je kunnen vragen waar ze nu ergens fietsen. Maar van mobieltjes willen ze niks weten, die ouders van jou. Kom, we gaan. Ik wil de trein niet missen!”
“Ruimen jullie de tafel even af?” vraagt moeder. “Dan hoeft oma niet meteen te ruimen als ze komt.”
De taxi rijdt de straat uit.
De kinderen zwaaien.
“Veel plezier in Amsterdam!” roept Jacolien.
Michael roept niets. Hij zwaait alleen maar.
Het is ruim een half uur later als de voordeurbel gaat.
Daar zijn Opa Pet en Oma Bloemie!
“Sorry hoor,” zegt oma lachend. “We hebben het een beetje verslapen. Ze zijn al naar de trein, zeker?”
“In een taxi,” legt Jacolien meteen uit.
“Ik was vergeten de wekker een uur vroeger te zetten,” voegt opa er aan toe, nadat hij de fietsen achter het huis heeft neergezet. “Het is ook niks gedaan, op zaterdagmorgen zo vroeg je bed uit! Half zeven! De hele wereld slaapt nog! We zijn onderweg geen kip tegengekomen. Hebben jullie al koffie gezet?”
“Komt er aan,” zegt oma. “Jacolien steekt een handje uit om me te helpen en waar Michael is weet ik niet.”
“Hij verstopt zich achter de computer,” verklapt Jacolien. “Op zolder. Hij heeft een rotbui.”
“Omdat hij niet mee kon naar Amsterdam, zeker?” vraagt opa.
“Misschien ook wel,” antwoordt zijn kleindochter. “Maar hij moet maandag op school een werkstuk inleveren en dat is nog steeds niet af. Pappa was vreselijk kwaad op hem. Hij heeft een maand niks uitgevoerd!”
Opa Pet schiet in de lach.
“Dat is niet om te lachen, Karel!” zegt oma.
“Nou, ik vind het wel humor,” antwoordt haar man. “Want Michaels vader weet waarover hij praat. Zijn eigen schoolwerk ging vroeger net zo, heb ik van mijn collega-opa gehoord!”
“Dat geloof ik niet,” zegt Jacolien stomverbaasd. “Papa zegt altijd dat we op school hartstikke ons best moeten doen en dat we dan veel bereiken. Net als hij.”
Opa Pet beklimt de trap naar de zolder, waar de tafel met de computer staat.
Michael draait zich om als hij iets hoort.
“Hee, opa!” zegt hij. “Waar bleven jullie zo lang?”
Zijn opa geeft geen antwoord op die vraag. Hij wijst naar de monitor en vraagt: “Wat ben je aan het doen, Michael? Ik hoor dat je aan een spreekbeurt of zo werkt?”
“Een werkstuk,” antwoordt Michael.
“Wat heb je al?”
Michael klikt het werkstuk aan.
“Ik heb al twee bladzijden,” legt hij uit. “Het eerste blad met mijn naam er op en het tweede met inhoud.”
“Tja,” zegt Opa Pet. “Dat schiet niet echt op, zo.”
Hij licht zijn pet op en krabbelt eens nadenkend op zijn bijna kale hoofd.
“Opa!” roept Michael, een beetje verschrikt. “Je hebt een heel groot litteken bovenop je hoofd. Het lijkt wel of er een keer iets scherps tegenaan is geknald! Hoe komt u daaraan?”
“Tja,” antwoordt zijn grootvader. “Dat is een heel verhaal! Ik heb die hoofdwond opgelopen toen ik .... nou, ik zal net zo oud zijn geweest als jij nu bent. Eens even denken .... ja, ik was tien!”
Michael kan zich niet voorstellen dat zijn opa ooit een jongen van tien is geweest.
“Hoe zag u er toen uit, opa?”
“Iedereen zag er toen anders uit dan nu, jongen. Toen ik tien was leefden we in het jaar 1956. In de Anjelierenlaan waar ik woonde hadden maar twee mensen een auto en televisies zag je ook nog haast nergens. Er waren geen computers om spelletjes op te spelen; iedereen speelde gewoon buiten. Mijn vrienden en ik liepen naar school. We werden niet gebracht, zoals je nu ziet. Op onze vrije woensdagmiddag zwierven we door heel de stad. Langs de havens, over de boulevard, door de duinen ....”
“Zag de stad er toen anders uit?”
“Heel anders, jongen. Er waren nog geen buitenwijken; voorbij de President Rooseveltlaan lagen alleen maar weilanden en boerderijen. En de bunkers, natuurlijk. Die zijn nu allemaal opgeruimd.”
“Wat zijn dat, bunkers?”
“Dat zijn gebouwen van beton, die de Duitsers in de oorlog lieten neerzetten om zich te verdedigen. In 1956 was de oorlog nog niet zo lang afgelopen en kon je nog overal Duitse bunkers vinden. Daar mocht je niet in. Dat was verboden.”
“Was dat gevaarlijk?”
“Niet echt, denk ik. Maar iets dat verboden is wil je wel ontdekken en dus kropen wij er toch wel eens naar binnen. Met een zaklantaarn, want het was daar pikdonker. Bunkers hadden geen ramen, dat snap je wel.”
“Hadden ze wel deuren?”
“Ja, en die waren van ijzer, met een stevig slot er op.”
“Hoe kwam je daar dan in?”
“Soms stond er helemaal bovenop een ijzeren koepel met een spleet, waar in de oorlog de loop van een kanon naar buiten stak. Zo gingen we naar binnen. Behalve mijn vriend Freddy, die was te dik. Maar dunne jongetjes klommen er met gemak doorheen. Alle bunkers waren al eerder doorzocht op wapens en andere gevaarlijke dingen, dus die vond je niet meer. Maar op een dag vonden wij een kistje.”
“Een kistje? In een bunker?”
“Ja, het was reuze spannend. De bunker stond naast de Keersluis en hij moet er nog steeds zijn. Alleen: er staat nu een huis bovenop. De bunker dient als fundering.”
“Wat zat er in dat kistje, opa?”
“Dat kwamen we niet meteen achter. Het was een Duits kistje, van ijzer, met de afbeelding van een adelaar op de klep gedrukt. We kregen het met geen mogelijkheid open.”
“Maar Opa, wat heeft dat nu met het litteken op uw hoofd te maken?” wilde Michael weten. Hij houdt van spannende verhalen en het valt hem heel erg mee dat zijn Opa Pet, die altijd zo saai is, nu onverwacht met een avontuur uit zijn eigen jeugd op de proppen komt.
“Alles,” zegt opa. “Ik liep voorop naar de uitgang, het kistje onder mijn arm, met een lantaarn. We waren van plan om naar Freddy’s huis te gaan, want zijn vader had een hoop gereedschap in zijn schuurtje en daarmee kregen we dat kistje vast wel open. Ik liet het licht overal heen schijnen: op de muren, de plafonds, maar niet op de vloer. En daar was opeens een vierkant gat, met een ijzeren ladder naar beneden. Daar ben ik ingevallen en toen ik beneden lag kreeg ik het kistje op mijn kop.”
“Oei!” roept Michael. “Wat spannend. “Maar je hebt het overleefd, anders was je nu niet mijn opa geweest!”
“Precies. En door de klap klikte het open! We konden er niet meteen naar kijken, want ik had een flinke wond bovenop mijn hoofd. Dat wist ik doordat het erg pijn deed, maar er stroomde ook bloed in mijn ogen en we waren meteen in paniek!”
“Het was een diepe snee. Dat kun je nu nog zien. Moest je naar het ziekenhuis?”
“Ja. Achterop de fiets van Freddy’s moeder. Kun je je het voorstellen? Het moest gehecht worden.”
“En wat zat er in die Duitse kist, opa?”
“Op de stoep voor het ziekenhuis hebben we de inhoud bekeken. Wat we zagen begrepen we niet erg. Het waren belangrijke papieren; met stempels er op en handtekeningen en zo, en een plattegrond. Alles stond er in het Duits, en dan ook nog in heel ouderwetse letters. We zijn ermee naar onze hoofdmeester gegaan, meeester Leeflang. En weet je wat hij vertelde?”
“Het was een militair plan van de Duitsers. Je moet weten dat de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog hun hoofdkwartier hadden in Hotel Britannia, aan de boulevard van Vlissingen. En op de kaart in dat kistje stond een geheime ontsnappingsroute. Met die kaart in de hand kon je via de kelders van Hotel Britannia een geheime gang vinden, waardoor je ongezien in de straten achter de boulevard kon komen.”
“Een geheime route! Cool!” roept Michael enthousiast uit. “En hebben ze die gebruikt?”
“Nee,” antwoordt zijn opa. “Er was maar één kaart en die zat in dat kistje. Weet je wat er op die papieren stond?”
“Nou?” Michael schuift heen en weer op zijn stoel van nieuwsgierigheid.
“Spoed! Uiterlijk op 1 november bezorgen in het hoofdkwartier.”
“En dat ging mis! Anders hadden jullie dat kistje niet in een bunker bij de Keersluis gevonden ....”
“Je hebt gelijk,” zegt Opa Pet. “Toen dat kistje op slot ging en vervoerd moest worden, waren de geallieerden al in Vlissingen geland. De bunker bij de Keersluis werd omsingeld en daar kon niemand in of uit. Hotel Britannia werd op 3 november door de Royal Scots veroverd en alle Duitsers daar zaten als ratten in de val.”
“Omdat ze de ontsnappingsroute niet hadden!” roept Michael.
“Precies,” zegt zijn opa.
Dan begint Michael ineens hard te lachen.
“Ik zet jouw verhaal meteen in de computer, opa,” grinnikt hij. “Dan heb ik maandag toch mijn werkstuk over de Tweede Wereldoorlog! De schat in de bunker!”
“Mooi,” antwoordt zijn grootvader. “Misschien heb je dan vanavond of morgenochtend even tijd om met mij mee naar huis te gaan voor het bewijsmateriaal. Als ik me niet vergis ligt dat kistje met die Duitse papieren nog ergens bij mij op zolder!”