Draagvlak is wcpapier               7 april 2010 Weekblad Echo


Ik vind het niet zo gek dat het publiek de politiek de rug toekeert. Ooit vond ik dat oerstom. Ontevreden? Geef dan bij verkiezingen een andere partij de kans er iets van te maken. Gebruik je stemrecht. Benut de essentie van de democratie. Politici: er zitten goede bij, middelmatige, en kneusjes.

Maar ik heb een inzicht bereikt - helaas gebaseerd op het tegendeel. Sinds deze regering (en een fiks deel van het gekozen parlement) met alle denkbare middelen probeert om onder Barendrecht CO2 op te gaan slaan denk ik er anders over. Democratie is een wassen neus. Politici hebben lak aan de bevolking. Draagvlak is wcpapier. De rapporten waarop de plannen zijn gebaseerd deugen niet (ik heb ze zelf gezien). De kritische deskundigen worden monddood gemaakt (ik heb ze persoonlijk gesproken). Kamerleden worden pas wakker NA een uitzending van Zembla. Twee ministers moffelen rapporten weg en borduren stug voort op oude achterhaalde informatie. En dat allemaal omdat SHELL een plan heeft om CO2 ondergronds te dumpen en de kennis over dat proces vervolgens lucratief te exporteren. Het grote geld bepaalt het beleid, en de regering is een franchisenemer die zich stipt aan het contract moet houden. Als deze milieuonvriendelijke plannen onverhoopt toch niet doorgaan dan is er slechts één reden: SHELL vindt het alsnog te duur of toch te link. De regering heeft daar niets in te zeggen. Mocht het zo gaan dan kan de vlag uit - halfstok, helaas. Vanwege de vermoorde democratie. Tja, ik wilde nooit geloven dat het zo werkt in de nationale politiek. Maar ik heb het met mijn eigen ogen gezien en met mijn eigen oren gehoord en ik geloof in mijn zintuigen. In juni stem ik op de Partij voor de Dieren. Want hoe beter je politici leert kennen, hoe meer je van beesten gaat houden.




Onbekend maakt onbemind        17 maart 2010 Weekblad Echo



Heeft u wel eens iets van Dan Brown gelezen? Of van Stephen King, Nicci French of Stieg Larsson? Als u hun boeken niet kent, heeft u toch die namen wel eens gehoord. Het zijn de auteurs die de CPNB-toptienlijst van de spannende boeken aanvoeren; zij behoren tot ’s werelds best verkopende schrijvers. Ik heb me vaak afgevraagd hoe je in dat gezelschap kunt belanden. En er kruipt altijd een vraag achteraan: waarom staan er toch zoveel buitenlandse namen in dat rijtje? Waarom zijn Nederlandse kopers van spannende boeken dol op Scandinaviërs en Angelsaksen? Waarom wordt die CPNB-lijst niet aangevoerd door schrijvers van eigen bodem?

Het antwoord is eenvoudig: de Nederlandse lezer heeft geen Nederlandse smaak. Ik hoor uw tegenwerpingen al: ha ha, en Saskia Noort dan? Loes den Hollander? Marion Pauw? Judith Visser? Bent u niet gewoon jaloers, meneer de schrijver?

Ja, natuurlijk, ook al gun ik het hun van harte. Maar hier keer ik terug naar mijn bewering dat Nederlandse lezers geen Nederlandse smaak hebben. Zij laten zich inpakken marketing en etalagewerk. Een aantrekkelijk ogende schrijfster zal ook wel lekker schrijven. Soms is dat zo. Soms ook niet.

Nederlandse lezers zijn namelijk geen ontdekkingsreizigers. Zij willen wel spannende dingen meemaken en op avontuur gaan, maar veilig begeleid door een ervaren gids die de griezeligste plekjes toont, die je aan het gevaar laat ruiken zonder dat het echt menens wordt. Wel op safari om leeuwen te bekijken, maar dan optimaal verzekerd, met een goed hotel en normaal te eten en te drinken. De Nederlandse lezer is een kruidenier die geen miskoop wil doen en dus koopt wat iedereen koopt. Breek ermee! Durf het maar! Hierbij alvast een avontuurlijk lijstje: Marelle Boersma, Gerard Nanne, Jacob Vis, Corine Hartman. En uiteraard - volgend jaar ook in de CPNB-toptien - John Brosens.




Meten is weten                      4 februari 2010 Weekblad Echo


Ik heb een tic waar het locaties in mijn verhalen betreft. Die MOETEN kloppen. Daarom sjouw ik het komend weekend door Rotterdam, voor een last minute check. Het Lloydkwartier, de Laan op Zuid, Dullaertplein, Metrostation Beurs - stuk voor stuk plaatsen die in mijn nieuwe thriller Project Luvarine figureren. Ik ben daar maanden geleden geweest om foto’s te maken; die hingen als visuele steun op het prikbord in mijn werkkamer, tot het laatste hoofdstuk. Maar misschien is er intussen iets veranderd; als je een paar maanden niet in Rotterdam bent geweest kan er zomaar ergens een nieuw gebouw staan. Of compleet verdwenen zijn. Ik moet er dus heen.

Sinds mijn Vlissingse thriller Duijkers dossiers weet ik dat er lezers bestaan met dezelfde tic. Ze wandelen de routes uit mijn boeken na. Een lezeres emailde mij dat ze van het boek genoten had en dat de locaties exact klopten. Die reactie bewijst hoe ieder een boek op zijn eigen wijze beleeft en visualiseert. Hoe beeldend je ook schrijft: er zijn toch lezers met de behoefte het verhaal aan de realiteit te toetsen. Meten is weten. Als het klopt is het een goed boek.

Toch wringt daar iets. Fictie is iets anders dan realiteit. Het leven van alledag is saai en zelden de moeite waard er een verhaal aan te wijden. Normale zaken halen nooit de krant of het journaal; daarvoor moet je bij de extremiteiten zijn. Dat is precies wat een thrillerauteur doet: hij manipuleert de realiteit om extreme zaken geloofwaardig weer te geven.

Blijkbaar bleef mijn boek in het hoofd van de emailschrijfster nasuizen, ook toen ze het na de ontknoping dicht sloeg. Ze wilde nagenieten en ging op zoek naar de locaties. Zonder dat zij het weet geldt dat sindsdien ook voor mij....



Vakkenvullers en zakkenvullers            4 januari 2010 - De Echo


Vakbond CNV bekritiseert supermarktbazen omdat ze vakkenvullers van achttien te duur vinden en geen nieuw contract geven. Gooien de zakkenvullers de vakkenvullers eruit? Leeftijdsdiscriminatie?

Het is nog maar de vraag of hier iets fundamenteel fout zit. De zakkenvullers zijn niet met koffieleuten op hun hoge posities beland. Die bereikten ze door op de kleintjes te letten en dat doen ze nog steeds. Letterlijk. Zij trekken aan de touwtjes. De scholieren aan de kortste kant, zij aan de langste. Sommige managers hebben die instelling met de paplepel ingegoten gekregen; dan weten ze niet beter. Maar een enkeling is zelf óók ooit als aanvullertje van de winkelvoorraad begonnen. Voorbeeldig, zo’n carrière die onderaan de ladder begon. Dat getuigt van motivatie en intelligentie. Maar wie via zo’n traject in de directiekamer belandt en vervolgens de jonge hulpjes uitknijpt is natuurlijk een ordinaire verrader.

Ik zou bij deze affaire een opvoedkundige vraag willen stellen. Is het vullen van vakken wel echt een baan? Punt één: het verschaft je slechts een paar uurtjes werk per week. Punt twee: je kunt er niet van leven. Het levert een zakcentje op. Het valt in dezelfde categorie als de baantjes die ik had toen ik nog op de mulo en de kweekschool zat: liftboy in een hotel, ijsverkoper, terraskelner, patatboertje, weekbladbezorger, bloemen helpen verkopen op de markt. Daar verdiende je nauwelijks iets mee, maar je leerde al wel het leven buiten de schoolmuren een beetje kennen. Je ging ineens met wildvreemde mensen om. Van allerlei slag. Met allerlei vragen. En dáár zat natuurlijk de echte verdienste.

Wie op z’n achttiende verjaardag ontdekt dat ‘ie de afgelopen jaren in z’n vrije tijd alleen maar vakken heeft gevuld verdient het om weggestuurd te worden. Die heeft de eigen horizon al te beperkt gehouden. Discriminatie? Welnee. Een duwtje in de goede richting, dat is het.



Het rioolputje en het milieu


Deze week moet mijn rijbewijs verlengd worden. Dat deed me denken aan mijn eerste autootje: een derdehands Ford Anglia uit 1960 waarvan het klokje al een keer op nul was teruggekeerd. De olie ververste ik zelf, gewoon boven het rioolputje. Dat is iets waar ik me anno 2010 oprecht voor geneer. Maar wist ik veel, in 1969. In die tijd beperkte de betekenis van het woord ‘milieu’ zich nog tot heel andere zaken. Die term werd toen voornamelijk gebruikt om de leden van de ‘penose’ aan te duiden. Maar goed, ieder normaal mens is vandaag verstandiger dan gisteren. Je leert bij. Inzichten veranderen. Je verandert mee.

Als je vandaag olie morst krijg je onmiddellijk een milieuambtenaar aan de deur. Dan word je bekeurd omdat je een van de tienduizend Nederlandse milieuregels hebt overtreden. Meneer, u bent een vervuiler! En daarom moet u betalen en flink ook! Want we zijn met z’n allen zuinig op ons milieu, de regering voorop.

En daarom vind ik wat er nu onder Barendrecht dreigt te gebeuren zo absurd. De regering lapt de eigen milieuregels aan haar laars. Zij wil een gevaarlijk afvalgas voor eeuwig in de eigen bodem op gaan slaan. Dat zou een prima maatregel zijn tegen de opwarming van de aarde. En de vervuiler die het goedje aanlevert wordt niet bekeurd, maar krijgt subsidie. Waarom staan onze milieuambtenaren niet massaal met hun bonnenboekjes te zwaaien? Omdat ‘milieu’ weer de ouderwetse betekenis heeft gekregen? In dat geval: waar is de politie?

Daarom heb ik de stoute schoenen aangetrokken en besloten iedereen in mijn netwerk lastig te vallen met de vraag een digitale petitie te ondertekenen: niks opslag van CO2 in de Nederlandse bodem. Deze regering mag van mij voor eeuwig in het rioolputje verdwijnen. Dit is de link: http://www.petities.nl/   Doet u ook mee?



You've got mail: vet voordeel voor ING

George Orwell zag het al. Overheidsorganen en commerciële organisaties geven hun acties namen die volstrekt tegengesteld zijn aan de inhoud. In zijn beroemde werk ‘1984’ kreeg het Ministerie van Oorlog het positief klinkende etiket ‘Ministerie van Vrede’ opgeplakt. De hoofdtaak van het ‘Ministerie van Waarheid’ bestond uit het vervalsen van de geschiedschrijving en het ‘Ministerie van Liefde’ verzorgde de indoctrinatie en de misleiding van het volk.
Ik moest hieraan denken toen ik vanmorgen een mail kreeg van de ING-bank, de oranje leeuw die zo harteloos mijn vertrouwde Postbank heeft overgenomen en verorberd.

‘Op dit moment ontvangt u maandelijks per post een afschrift. Al ruim 500.000 klanten die Mijn ING gebruiken, geven aan dit niet meer nodig te vinden. Daarom krijgt u met ingang van september geen papieren afschriften meer. Door papierloos te bankieren voorkomt u onnodig papierverbruik. Zo helpt u het milieu een handje. De ING, als partner van Natuurmonumenten, levert ook haar bijdrage aan het natuurbehoud in Nederland.’

Om te beginnen: mijn eigenwijze aard heeft al bij voorbaat lak aan de mening van een half miljoen Mijn ING-klanten, zeker als dat als argument wordt gebruikt mij iets door de strot te duwen. En hoe betrouwbaar is dat getal? Ik kan het niet controleren; misschien vormen die 500.000 Mijn ING-klanten niet eens een meerderheid. Het kan best zo zijn dat 750.000 Mijn ING-klantjes eigenlijk gewoon hun maandelijks afschriften willen blijven ontvangen. Wat? Misschien is er zelfs wel een miljoen Mijn ING-klanten te porren voor het opnieuw invoeren van twéé afschriften per maand! Wie is de ING om met aantallen te strooien en als de mening van haar klanten te ventileren?
Ik begrijp het wel. De PR-mensen van ING proberen mijn ziel te masseren door met ‘onnodig papierverbruik’ en het partnership van Natuurmonumenten te schermen. Dat klinkt heel sympathiek. Toch vermoed ik dat de directeur van Natuurmonumenten nu nijdig grommend achter zijn bureau zit, want dit PR-offensief is een grove leugen. Niks milieu; de enige echte motivering ligt in de financiële sfeer. Stoppen met papieren afschriften levert de bank een gigantische kostenbesparing op. Dat banken een dienstverlenende functie zouden hebben is een idee dat ik al een tijd geleden heb laten varen. Want zodra in een bankbedrijf de aandeelhouders regeren wordt de hoofdtaak ‘dienstverlening’ verdrongen door een andere: ‘winst maken’.
Welk etiket zou George Orwell voor deze ING-manoeuvre hebben bedacht? Daar hoef ik mij niet in te verdiepen; dat hebben de PR-mensen van ING al gedaan. Ze kennen hun klassieken en gedragen zich als doorgewinterde medewerkers van het ‘Ministerie van Liefde’. De koptekst van het mailtje luidt: ‘Papierloos bankieren: overzichtelijk en milieuvriendelijk’.
Welke vertaling krijg ik als de Orwelliaanse omkeerredenering er op wordt losgelaten? Waarschijnlijk zoiets als: ‘Papierloos bankieren: klantonvriendelijk en zéér kosten-besparend’.
Die vertaling neem ik voor waar aan. George Orwell zag het immers al: PR- en Marketingmensen voeren een eeuwigdurende oorlog tegen de waarheid. Ook bij ING. Wat ze voor Big Brother naar buiten brengen is per definitie omgekeerd evenredig aan wat ze eigenlijk bedoelen.

© september 2009 John Brosens


 

Een brief van de minister


Ik kreeg een brief van mijn oude werkgever, de minister van onderwijs: of ik er voor voelde weer les te gaan geven, fulltime of in deeltijd. Gezien de nijpende situatie rond de vacatures en het groeiend aantal onbevoegde lesgevenden voor de klas ......

Ik heb hem teruggeschreven dat het antwoord 'nee' is. De reden? Ik heb zes jaar terug het besluit genomen — met een uitgeklede vutregeling — een tweede carrière te beginnen als auteur en dat bevalt me prima. Ik werk als ik zin heb, ik ga op pad als ik zin heb. Er is hier geen rooster en er gaat nooit een pauzebel. Het klinkt als een vrij leventje en dat is het ook, maar het gaat er wel degelijk gedisciplineerd aan toe. Ik maak zeker zoveel uren als toen ik voor de klas stond. Nog gekker: als het zo uitkomt gaat op zaterdag en zondag het schrijven gewoon door. Dan zit ik in een FLOW.

Bovendien leer ik af en toe nieuwe mensen kennen: journalisten, lezers, uitgevers, andere auteurs, personen waar ik heen ga voor een interview of research. In het onderwijs keek ik steeds tegen dezelfde collega's aan. De meesten waren heel aardig, maar de contacten waren voorspelbaar en in het algemeen niet spectaculair. Ik mis hen niet echt. De leerlingen wel. Dat voedt de weemoed, maar zet mij niet aan tot twijfel.

Ik zeg dus 'nee' op die brief en voel me niet moreel bezwaard. Ik heb in dubbel opzicht mijn aandeel in het onderwijs geleverd: 36 jaar met plezier lesgegeven en daarnaast ook nog eens schoolboeken geschreven.

De overheid schrijft nu dus vutters en pensionado's aan met de vraag of ze willen helpen de groeiende puinhoop in het onderwijs te bestrijden. Dat heeft veel weg van een 1 april grap, maar eerder nog een sick joke. Dit zijn immers dezelfde mensen die in hun werkzame leven in alle opzichten door de overheid werden afgeknepen. Ze mochten steeds méér doen voor (in het gunstigste geval) hetzelfde salaris. Ze moesten een beleid slikken dat werd gepresenteerd als 'onderwijsvernieuwing', maar steeds neerkwam op 'bezuiniging' en 'taakverzwaring'. Ze zagen hun klassen groeien, de eigen inbreng slinken, de faciliteiten minder worden en uiteindelijk hun prestige devalueren.

Het Nederlands onderwijs verkeert in crisis en de gepensioneerden mogen opdraven als panacee. Wie op de brief 'ja' zegt komt terecht in de chaos die al jarenlang werd voorspeld. En ... is het financieel wel de moeite waard om 'ja' te zeggen? Het lijkt mij namelijk geen ondenkbaar scenario dat het vers verdiende loon op de VUT-uitkering of het pensioen zal worden gekort .....


© maart 2008 John Brosens.



De Macht van de Heren Bouwers


Laatst moest ik in drie steden zijn die ik al een jaar of vijf niet met mijn aanwezigheid had vereerd: Roelofarendsveen, Rijswijk en Roosendaal. Ik heb tot nu toe geweigerd om mijn routes te laten aansturen door frivoliteiten als tom toms of andere helpers met een sprekende display. Voor mij zijn dat volstrekt overbodige gadgets; ik heb een afkeer van onnutte artikelen die ook nog eens flink aan de prijs zijn, zelfs als Office Center of de Makro ze in de aanbieding hebben. Ik zet al vijfenveertig jaar mijn koers uit op basis van twee solide pijlers: mijn bloedeigen postduiveninstinct en een doodgewone, maar wel recente wegenkaart. Dat is altijd goed gegaan. Ik heb het al geleerd toen ik zestien was, in Frankrijk, op de fiets. Je blijft er scherp bij omdat je zelf nadenkt en je tijdens de reis voortdurend de omgeving observeert. Ik let op watertorens, spoorlijnen, bruggen. Met dit persoonlijk navigatiesysteem heb ik het altijd gered, en met gemak.

Maar nu ging het drie keer achtereen mis. Bij het binnenrijden van Roelofarendsveen, Rijswijk en Roosendaal herkende ik niets; mijn referentiekader was compleet verdwenen. Er was iets tussenuit. Ik wist zeker dat ik eerst nog twee kilometer weiland hoorde te passeren voordat ik de aanduiding 'bebouwde kom' zou tegenkomen! In plaats daarvan bevond ik mij onverwacht tussen nieuwe, hoge gebouwen met plantsoenen eromheen waarin piepjonge boompjes waren neergepoot. Het viel mij meteen op dat de panden er onbenut bij stonden, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik op een door een regisseur secuur uitgezochte locatie was aangeland. Voor de verfilming van een absurd, futuristisch scenario gebaseerd op het werk van Franz Kafka. Ik zag grote panelen met 'TE HUUR of TE KOOP' aan de ingang van volstrekt lege parkeerpleinen. Maar wat me onaangenaam trof was dat er geen sterveling rondliep aan wie ik de weg kon vragen.

In Roosendaal ben ik uit de auto gestapt en heb ik de omgeving eens goed bekeken, voorzichtig leunend tegen zo'n miezerig boompje, met de armen over elkaar en waarschijnlijk een verbeten trek om de mond. Wat doen die gebouwen hier? Het was een doordeweekse dag, maar er werkte geen mens, er was geen sprankje activiteit. Ik hoorde alleen het zuchten van de wind en het krijsen van vier eksters die in een ongeordende formatie rondjes vlogen. Met welk doel zijn hier ontsluitingswegen vol ruisarm asfalt aangelegd als ik de enige ben die er op rijd? Wat is de zin van immense panden met niets er in? Toen ik een schuurtje in mijn tuin wilde moest ik me door een woud van formulieren worstelen — het werd afgewezen omdat mijn aanvraag niet strookte met het bestemmingsplan. Toegegeven, het is klein leed waar je gemakkelijk overheen komt. Maar hoeveel papier zou er hier zijn gebruikt voordat de eerste betonnen paal de grond in ging? Hoeveel architectenbureaus hebben schetsen gemaakt en plannen ontworpen? Hoeveel aannemersbedrijven zullen zich beijverd hebben om op deze twee vierkante kilometer mee te mogen doen? Hoeveel manuren zijn er door grondbedrijven gecalculeerd om weilanden bouwrijp te maken, rioolbuizen in de aarde te laten zakken en het bed voor de voorlopige bestrating aan te leggen? De betonstorters, timmerlieden, metselaars, dakdekkers? Er zijn op dit terrein vast tientallen miljoenen geïnvesteerd.

En nu staat het leeg, aan het opgeschoten onkruid te zien al een zomer lang.

Er waren wel bedrijven die wilden bouwen, maar er zijn geen bedrijven die erin willen. Dan rijst de vraag: zijn die er wel? Waarom is hier toch zo'n giga-project gerealiseerd? Of is het te duur om hier te huren of te kopen? Hoe moet dat dan verder? Is hier dan zinloos gebouwd en geïnvesteerd?

Nou ja, bedenk ik met enige berusting. Het heeft in elk geval maanden werk opgeleverd. Dan dringt het inzicht plots tot me door. Dat is het natuurlijk! Het gaat niet om het resultaat, maar om de weg erheen! In Nederland wordt niet gebouwd omdat er huisvesting nodig is voor bedrijven en kantoren. Welnee! Er wordt gebouwd omdat er gebouwd moet worden. De grote aannemers, wegenbouwers, asfalteerfabrieken en transportbedrijven mogen niet stilvallen, want dat is economisch ongewenst. Daarom verliezen ieder jaar honderden hectaren Nederlands grondgebied hun groene kleur. Daarom worden er Betuwelijnen bedacht!

Ik ben er toch gekomen, op de adressen waar ik moest zijn in Roelofarendsveen, Rijswijk en Roosendaal. Gewoon omdat ik al heel lang weet dat je, als je een blokje rijdt, na drie keer rechtsaf altijd op dezelfde kruising terug bent. En dat je het vervolgens een kruising verder nog eens probeert. Nieuwe ronde, nieuwe kans.


© oktober 2007 John Brosens

Home../www.johnbrosens.com/Welkom.html


Concurrent of collega


Een tijdje geleden had ik een afspraak met een journaliste van een regionale krant. We kennen elkaar inmiddels redelijk goed — als ik iets te melden heb komt ze langs en steeds blijkt dat ze de volgende donderdag trouw een blokje kopij over me heeft geplaatst. Ze maakt altijd een foto, maar die staat er alleen bij als er plaats is. Ook een regioblad stelt prioriteiten. Ze is mijn boeken goed gezind, en dat zet ik hier niet zonder reden. De dame schrijft dus voor haar dagelijks brood, maar is wel degelijk op zoek naar wat extra beleg: ze heeft drie nog niet uitgegeven manuscripten, waarvan één thriller, en daarover wilde ze mijn advies. Daar voelde ik weinig voor, dus ik begon al ‘nee’ te schudden. Ik heb er geen bezwaar tegen om adviezen te geven, maar voor het kritisch bekijken van een manuscript ben ik niet in de wieg gelegd. Ik ben schrijver en het redigeren van nieuwe producties is een heel ander vak. Dan moet je streng zijn en die journaliste is veel te aardig om streng tegen te doen. Ze haastte zich mij gerust te stellen. Het ging niet om een oordeel over de inhoud. Dat zat wel goed. Nee, voor haar was de vraag: hoe leg ik contact met een uitgever. Ze had allang gehoord dat spontaan ingestuurd werk weinig kans maakt. Het gaat er om dat je er binnen raakt, dat je een ingang hebt via iemand die zo’n uitgever kent, en het liefst persoonlijk. Netwerken, dus.

Dat was uiteraard een inkoppertje. Wat let mij om een bevriende journaliste bij mijn eigen uitgever aan te bevelen? Het kost me een telefoontje of mailtje, meer niet.

Ze was in de wolken met mijn toezegging en nodigde me als tegenprestatie spontaan uit de volgende zondag mee te gaan naar een literaire middag in Leiden. Een schrijvende vriendin van haar had een aanmoedigingsprijs in de wacht gesleept en dat werd gevierd. Een feestje! Er was een kroeg afgehuurd en ‘iedereen’ zou er zijn. Zo’n bijeenkomst was een uitgezochte gelegenheid om collega-auteurs te ontmoeten en met hen over allerlei onderwerpen van gedachten te wisselen, beweerde ze.

Ik geloofde haar, zei ja en dat bleek een domme zet. Ik had die middag gewoon thuis moeten blijven en achter de tekstverwerker plaats moeten nemen. Mijn enige toetssteen waar het collega-auteurs betreft is het GNM, voluit het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs. Goed honderd leden, vrouwen en mannen, die elkaar een paar keer per jaar ontmoeten bij een toepasselijk ‘mystery dinner’ en bij excursies die met onze onderwerpen te maken hebben. We bezoeken rechtbanken, recherchebureaus, gluren mee naar het snijwerk in de keuken van forensische instituten en krijgen gastlessen van vuurwapenexperts. De sfeer is er altijd gemoedelijk. We gaan joviaal met elkaar om, wisselen tips en ervaringen uit, roddelen en netwerken wat en we lachen om elkaars grappen. Er is een gevoel van saamhorigheid. Iedereen neemt overal gelijkwaardig aan deel en het maakt geen verschil of je in de Bruna Toptien staat, nominaties voor de Gouden Strop hebt gescoord of vijf thrillers hebt geschreven die het grote publiek nog steeds ontgaan.

Hoe anders ging het in Leiden. We reden er samen heen en onderweg raakte mijn journalistieke vriendin maar niet uitgepraat over haar hoge verwachtingen van deze middag.

We tekenden het gastenboek als twaalfde en dertiende. Er waren achttien personen, net zo veel heren als dames; ik heb ze geteld. De meeste feestgangers kwamen binnen in een uitbundige outfit met lange sjaals, donkere hoeden, lange jurken met boa’s, waardoor ik onvermijdelijk aan de bekende poster van Toulouse Lautrec moest denken. Het feestvarken werd gefeliciteerd en kreeg een fles champagne, die natuurlijk direct moest knallen. Ik werd nieuwsgierig bekeken en raakte gemakkelijk met iedereen in gesprek, maar dat veranderde zodra het in het gezelschap begon rond te zoemen dat ik thrillers schreef. Daarop nam de belangstelling voor deze nieuwkomer zienderogen af. Sterker nog: elk gesprek dat ik probeerde aan te gaan, bloedde dood. Op een gegeven ogenblik kwam er toch iemand op me af, een man met veel wit haar en een imposante snor. Hij informeerde naar mijn naam. Ik gaf netjes antwoord. Tot mijn verbijstering was de reactie: “Goh. Nóóit van gehoord!” En vervolgens liep hij met een grijns bij me vandaan.

Ik voelde me een vreemde eend in de bijt. De bevriende journaliste had het echter zeer naar haar zin, dus een snelle aftocht zat er niet in. Ik besloot mijn bijdrage aan de middag dan maar te beperken tot observeren.

Het werd me snel duidelijk dat er hier geen tips en ervaringen werden uitgewisseld en dat er al evenmin sprake was van een joviale omgang. Roddelen deden ze wel. En grappen vertellen, vooral ten koste van een ander. Veel feestgangers bleken de gesprekstechniek van de omkeerbaarheid perfect te beheersen: zodra iemand iets leuks of aardigs over een eigen boek of verhaal naar voren bracht, draaiden ze het om. Ja, zoiets hadden ze ook al eens aan de hand gehad, maar dan erger. Of mooier, net wat het beste uitkwam. Elke bijdrage van een gesprekspartner bleek een trigger om een lofzang op de eigen literaire kwaliteiten op te starten. Achttien schrijvers bij elkaar, achttien vijanden. Dit was geen feestje. Dit was een stadsguerrilla.

Ik pakte het gastenboek op en nam alle namen door. Die van mijn medereizigster was de enige die ik kende. Ik ben naar buiten gewandeld en zag een bankje aan de overkant van de straat. Daar heb ik op haar gewacht.

Op de terugweg informeerde ik of dit soort feestjes altijd zo werden gedomineerd door een sfeer van haat en nijd. “Nou,” zei ze verbaasd. “Dat viel toch wel mee? Ik heb me best geamuseerd, hoor. Je moet wel in aanmerking nemen dat dit een gezelschap was van louter schrijvers. En hoe bevriend ze ook met elkaar zijn, ze zijn wel elkaars concurrent. Snap je?”

Ik deed er verbaasd het zwijgen toe, want snappen deed ik het hoegenaamd niet.

“Verklaar je nader,” zei ik.

“Geld,” zei ze. “In deze wereld draait alles om de poen.”

“Ja. En?”

“Het literaire wereldje blijft overeind bij de gratie van subsidie. Mijn vriendin scoort een aanmoedigingsprijs waar een leuke bonus aan vast zit. En dus hebben al haar literaire vriendjes er de pest in.”

Ik zei dat ik het begreep, maar dat was een leugentje. Op dat moment nam ik me heilig voor gewoon spannende verhalen te blijven schrijven, zodat ik ook gewoon joviaal met mijn collega’s om kan blijven gaan. Ik heb voorlopig de buik vol van alles wat van het labeltje ‘literair’ wordt voorzien.

Maar ach, niets is veranderlijker dan een mens. Wie weet verschijnt er ook van mij ook ooit een boek waar de uitgever in vette letters de wervende term ‘literaire thriller’ op heeft gezet. Wellicht levert het een subsidietje op. Of een grotere omzet. Is ook leuk.


© december 2008 John Brosens.