John Brosens,  schrijver en dichter


Mijn speurtocht in 1997 en 1998  naar  Michiels barre reis in 1623

 

Hoe het zo gekomen is .....

Aflevering 1


Ik kan precies mijn vinger leggen op het moment waarop mijn belangstelling werd gewekt voor het verhaal dat Koers Pal Noord zou gaan heten. Op 12 maart 1997 kreeg ik van mijn echtgenote de biografie van Michiel de Ruyter cadeau, ‘Rechterhand van Nederland’, geschreven door Ronald Prud’homme van Reine. We hadden die week plannen om eens flink in de tuin tekeer te gaan, maar het regende en stormde dagen achtereen. Het kostte me weinig moeite om een alternatief te bedenken; met het nieuwe boek installeerde ik me in de leesfauteuil, koffie en koekjes bij de hand.


(...) Als matroos maakte hij een hachelijk avontuur mee. Spanjaarden veroverden het schip waarop hij voer, en namen hem en de overige bemanning gevangen. De Ruyter raakte bij die actie in de linkerarm gewond, maar wist bij het aan land komen te ontsnappen, samen met twee andere matrozen. Zonder enige bezitting moesten zij gedrieën over land, via Frankrijk, naar De Nederlanden zien terug te keren. Dankzij de gastvrijheid van goedwillende mensen die zij op hun weg troffen, lukte dat. Brandt maakte naar aanleiding van dit verhaal de voor de hand liggende vrome opmerking dat dit een duidelijk bewijs was dat (...)


(‘Rechterhand van Nederland’, Arbeiderspers 1996, ISBN 90 29534869, p. 21)


Als daar niet een prachtig verhaal in zit, zal ik wel gedacht hebben. Dat daar niet meer dan één enkele alinea aan wordt gewijd! Zou er meer over geschreven zijn? De auteur van ‘Rechterhand van Nederland’ maakte gewag van een handvol biografen die zich vóór hem al in het leven van de bekende admiraal hadden verdiept.


De onrust was gezaaid. Ik ging op zoek en het duurde niet lang of ik mocht in een antiquariaat de allereerste biografie over De Ruyter inzien: ‘Het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter’, geschreven door Gerard Brandt in 1687. Uit het boek van Prud’homme van Reine wist ik dat Brandt de familie De Ruyter persoonlijk had gekend. De opdracht voor de biografie werd verstrekt door de enige zoon van Michiel de Ruyter die nog leefde: Engel de Ruyter. Brandt mocht alle bescheiden waarover de familie beschikte inzien en verkreeg zijn informatie uit de eerste hand.


In het antiquariaat bleef het bij inkijken; het exemplaar was erg prijzig - maar het Franse avontuur was snel gevonden. Later kreeg ik via de Stichting De Ruyter in Den Haag een fraaie kopie van die pagina.


(...) ‘Anderen verhaalen dat hy op een anderen tydt, noch voor matroos vaarende, toen enige Biskaaische of andre Spaansche scheepen zyn schip naamen, ook in zyns linken arm, of handt, werdt bezeert, en nevens al ’t scheepvolk geplondert en gevangen. Maar aan landt koomende, ontsprong hy zyn bewaarders, en ontliep het. Doch toen vondt hy zich in geen kleine verlegenheit, van alles ontbloot en in een vreemt landt; dies most hy, in het gezelschap van nog twee matroozen, door Vrankryk, meest te voet, naar ’t vaderlandt keeren. Ook perste hen de noodt met hun drien by beurten, onder ’t reizen, hunnen noodruft langs den wegh aan de huizen van berhertige menschen te zoeken, tot een klaar bewys dat de godlyke voorzienigheit somtydts mannen, die ze booven veele anderen wil verheffen in d ‘allergrootste ongeleegenheit en armoede laat vervallen opdat ze, tot beeteren staat gekomen, en hun teegenspoedt gedenkende, te meer meedogen zouden hebben met d ‘ellenden van anderen. (...)’


Na Gerard Brandt zijn er nog een aantal biografieën gepubliceerd. Na een bezoek aan de boekenmarkten van Dordrecht, Deventer en Bredevoort beschikte ik in het najaar van 1997 over exemplaren van Stamperius (1907), Blok (1928), Van Wessem (1937), Lunshof (1941), P. De Zeeuw (1953), Norel (1956), Scheffers (1957) en Jespers (1974). Uiteraard was ik al in het bezit van ‘Vlissinger Michiel’ van J. Roelink (1957); dit boekje kregen alle leerlingen van de hoogste klassen op de Vlissingse lagere scholen uitgereikt ter gelegenheid van Michiels 350 e geboortejaar.


Niet zo lang geleden tikte ik in Leiden nog een goedkope herdruk van Brandts boek op de kop; in het jubileumjaar 1907 in klein formaat uitgegeven als ‘goedkope volkseditie’.


In ieder exemplaar bladerde ik meteen door naar het Franse Avontuur van 1623, maar elke schrijver stelde me teleur. Na het draaien aan het touwslagerwiel, het wegsturen uit de schoolbanken en het beklimmen van de Sint Jacobstoren stoomden zij meestal regelrecht door naar de grote heldendaden van stuurman en schipper De Ruyter, roepend over de zeeslagen en koerend over het strategisch vernuft van de zeeheld. De inhoud van de alinea bij Brandt werd - al of niet voorzien van diens vrome toevoeging - klakkeloos overgenomen. Eigentijdser geformuleerd, dat wel.


Blijkbaar vond niemand het Franse Avontuur belangrijk.


‘Zestien jaren, De Ruyter vaart weer. De Biskaaiers, kwade zeerovers, enteren het schip. Hij krijgt een wond, de eerste en ook de laatste, tot hij zooveel jaren later als Luitenant – Generaal – Admiraal het doodelijk schot zal ontvangen. Het schip waarop hij vaart wordt genomen. Bedelend zwerft hij van de Spaansche kust naar Vlissingen terug. Weer op zee. Zoo slaat het leven toe.’


(De Stuurman van de Groene Leeuw’, H. A. Lunshof , 1941, pag. 21)


‘Anderen vertellen echter dat hij op zekere dag – hij was toen al volle matroos – gewond en gevangen genomen werd door Spaans scheepsvolk in de Golf van Biscaye. Michiel werd aan land gebracht, maar wist te vluchten. Overdag verschool hij zich in de rotsen van de Franse westkust, ’s nachts doolde hij rond op zoek naar wat voedsel. Toen ontmoette hij twee lotgenoten. Wekenlang duurde hun dwaaltocht door het grote, vreemde Frankrijk, maar eindelijk zagen ze hun land terug.’


(‘Michiel de Ruyter, onze zeeheld’, Hendrik Jespers, 1974, pag. 51/52)


Ik realiseerde me dat de gemiste kans van anderen voor mijzelf een buitenkans kon betekenen en begon te filosoferen over het traject dat Michiel en zijn kornuiten afgelegd zouden hebben. Waar waren ze aan land gebracht? Hoe zat dat eigenlijk met eten, drinken, slapen? Hoeveel kilometer hadden ze feitelijk af te leggen? Hoe zat dat met de wegen, met de dorpen en steden onderweg? Hoe zat dat met rivieren die ze tegenkwamen? Hoe zat dat met reizen door Frankrijk aan het begin van de twintiger jaren van de zeventiende eeuw? Moest je daar tol betalen? Waren er herbergen? En .... wat at men zoal in die tijd?


Ik begon kriskras informatie te verzamelen en bij het ordenen daarvan ontstond tot mijn verbazing een logisch patroon. Al snel prikte ik drie conclusies op het bord in mijn werkkamer:


1. de terugtocht naar Vlissingen moet wel hebben bestaan uit het volgen van de kustlijn naar boven: Koers Pal Noord, zogezegd;

2. het reisdoel zal in eerste instantie de protestantse vrijhaven La Rochelle zijn geweest omdat daar schepen van De Provinciën kwamen en gingen;

3. Michiel en zijn kornuiten beschikten over eigenschappen en vaardigheden om deze levensgevaarlijke tocht tot een goed einde te brengen.


Met deze uitgangspunten in het hoofd kon ik gericht op zoek naar meer informatie. Zou het te achterhalen zijn wie het schip waarop Michiel voer had veroverd, hoe het heette en wat er van de bemanning geworden was? Was La Rochelle in 1623 toegankelijk, gezien de twisten die Frankrijk in dat tijdsdeel kende? Vonden ze daar een schip naar huis?


Aflevering 2


Gerard Brandt meldt in zijn biografie dat Michiel de Ruyter zich “mans soldij trekkend” bij het beleg van Bergen op Zoom moedig gedroeg en “herhaaldelijk buit op de Spanjaarden” wist te behalen. Hij was een van de honderden schepelingen die in allerijl werden opgetrommeld om het leger van de Prins te versterken omdat er een enorm tekort aan “konstabels of busschieters” was ontstaan. Ook Michiel de Ruyter gaf gehoor aan de oproep van Maurits. Toen Bergen op Zoom het Spaanse juk op 2 oktober van zich afschudde keerden al die zeelui weliswaar met een gevulde beurs huiswaarts, maar hun stemming zal somber zijn geweest door de wetenschap dat hun gewone stiel in de komende wintermaanden zoals altijd vrijwil stil zou liggen. Van Michiel weten we echter dat hij nog in datzelfde jaar “ten oorlog begon te varen”.


Vanaf eind februari 1623 kwam in Vlissingen de kaapvaart weer op gang. Het tijdstip van Koers Pal Noord moeten wij dan ook in het voorjaar van 1623 plaatsen.


Een zoektocht door “ Histoire de la France” van Pascal Balmand toverde een bijzonder onrustig beeld van dat jaar tevoorschijn. De jonge koning Louis XIII deed verwoede pogingen om greep op de zuidwest regio van Frankrijk te krijgen. Door het beleid van zijn vader hadden regionale graven, hertogen en landheren zoveel vrijheid verworven dat zij meenden af te kunnen zien van verdere bijdragen aan de koninklijke schatkist. La Rochelle begon zich – met de Zeven Provinciën als voorbeeld - als een onafhankelijke stadsrepubliek te gedragen. De autoriteit van de Kroon was in het geding; Louis XIII zag zich gedwongen een leger op de been te brengen om de streken rond Bordeaux opnieuw onder zijn gezag te brengen. Vanaf 1627 zou zijn minister Armand de Plessis, Kardinaal de Richelieu, dit karwei voortvarend ter hand nemen, resulterend in de totale ondergang van het protestantisme in Zuidwest Frankrijk en het uithongeren, beschieten en in de as leggen van La Rochelle.


Gerard Brandt bood slechts één aanknopingspunt voor het aan land brengen van Michiel en zijn kornuiten: een thuishaven van “eenige Biskaaische of andere Spaansche schepen”.


In de zomer van 2004 trok ik voor een studiereis naar het zuiden. Met drie afspraken op zak: het scheepvaartmuseum van San Sebastian, het Stadsarchief van La Rochelle en het ecomuseum Marquèze te Sabres ten zuiden van Bordeaux.


Dankzij de bemiddeling van de stadsarchivaris van Vlissingen, de heer Adri Meerman, had ik een in het Frans vertaalde aanbevelingsbrief van de Vlissingse burgemeester op zak. Wonderbaarlijk hoeveel Franse deuren daarmee opengaan ....


In het scheepvaartmuseum van San Sebastian begreep men niets van mijn komst; de directeur was op studiereis naar Moskou en ik moest gewoon een kaartje kopen. Maar Ana Iza, bibliothecaresse, bleek van mijn komst op de hoogte. Ze had aan de hand van mijn vragen aardig wat voorwerk gedaan en een standaardwerk over “de vrije nering” voor mij klaarliggen. Gelukkig sprak ze een beetje Engels.


Het bleek dat de kaapvaart in en om de Spaanse wateren even welig tierde als in onze streken. De Spaanse koning zette zogenaamde “corsarios coronas” in: kapiteins met een licentie om alles wat uit Engeland of “Paysos Basos” afkomstig was aan te vallen en te gelde te maken. De helft van de opbrengst ging naar zijn schatkist.


Het onderzoek in het boekwerk was moeizaam, maar had na verloop van tijd resultaat: in april 1623 bleek er één kaperschip uit de Lage Landen opgebracht te zijn, door een galei waarop kapitein Pedro de Aguirre het commando voerde. Het schip had de naam “Honte”, werd geboekt als een “barco flamenco” en in het haventje van Fuenterrabia aan de ketting gelegd.


Helaas gaven de statistieken geen uitsluitsel over de naam van de Zeeuwse kapitein of wat er van de bemanning is geworden. De bibliothecaresse twijfelde geen seconde: ongetwijfeld was alles in beslag genomen, had Pedro de Aguirre een vette bonus geïncasseerd en is de bemanning naar de slavenmarkt of, waarschijnlijker, naar de galeien getransporteerd.


Een feit is echter dat het haventje van Fuenterrabia aan de Bidassoa ligt – een smalle rivier met Frankrijk aan de overkant. Het eerste spoor van Michiels avontuur was gevonden. Bingo.


Het Écomusée de la Grande Lande “Marquèze” te Sabres  is vergelijkbaar met het Openluchtmuseum te Arnhem. Het is echter alleen via een smalspoor bereikbaar. Tijdens de zondagen in het zomerseizoen brengt een stoomlocomotief de bezoekers naar het terrein: een open plek in het bos met de omvang van ruim vijf voetbalvelden. Op andere dagen trekt een ronkende diesel de wagons. In de “Marquèze” toont men je alles over de oude ambachten met betrekking tot de veeteelt, visserij en akkerbouw in de eeuwen die achter ons liggen; ook is er te zien wat men zoal in de zestiende en zeventiende eeuw at en dronk. Koers Pal Noord is het verhaal van een lange moeizame tocht onder soms barre omstandigheden – Michiel en zijn maats zullen onderweg naar eten gezocht hebben. Wat konden ze vinden langs de weg, op akkers of in onbewaakte moestuinen? Gerard Brandt laat er geen twijfel over bestaan dat ze werkend, scharrelend en bedelend naar Vlissingen trokken. Het ecomuseum lichtte mij voor: zij hebben ongetwijfeld brood, soep, wortelen, pastinaak (een voorloper van de aardappel die ook rauw gegeten werd), sla, zoete appelen, appelen, zeekool (vergelijkbaar met asperges) en lamsoren gegeten. Wellicht vingen ze een enkele keer een haas, konijn of een ander dier en aan de kust wisten ze zonder twijfel wel zeekraal, lamsoren, kreukels, mosselen en oesters te vinden.


De directeur van het écomusée stuurde mij door naar een bevriende amateur-historicus, een pastoor te Mimizan, omdat hij vermoedde dat de reizende zeelieden onvermijdelijk op het retourpad van de pelgrimsroute naar Compostella waren beland. Het bleek een logische gevolgtrekking die ik dan ook van harte in het verhaal van Koers Pal Noord heb geïntegreerd. Van de abdij te Mimizan waar de pelgrims onderdak vonden rest nu slechts nog één toren – de maquette van het oorspronkelijke gebouw mocht ik bekijken en fotograferen.


De stadsarchivaris van La Rochelle, Sylvie Denis, trok een hele dag voor mij uit. Het jaar 1623 kwam zo volledig gedocumenteerd als maar kon op tafel – helaas is er door de oorlogshandelingen in de zeventiende eeuw veel verwoest. Frappant: in die zomer – in de tijd dat Michiel en zijn makkers de stad bezocht moeten hebben – verdween een brieventas van een koerier des konings en de inhoud kwam via rondtrekkende zeelieden in de handen van het stadsbestuur terecht. Uit deze correspondentie bleek het verraad van Louis XIII: het verdrag dat hij met La Rochelle sloot saboteerde hij in het diepste geheim vanaf het begin.


Mevrouw Denis vertelde me dat alle Franse steden vanaf de middeleeuwen verplicht zijn een jaarboek bij te houden waarin de belangrijkste gebeurtenissen (denk daarbij aan de uitgevoerde bouwplannen, aanstellingen van functionarissen, rechtszaken, huwelijken van voorname ingezetenen, maar evengoed voorvallen als moord, brandstichting en diefstal) worden genoteerd. Vanaf 1804 werden de jaarboeken (ook die uit het grijze verleden) netjes gedrukt en bewaard, zowel plaatselijk als – uiteraard - te Parijs.


Het jaarboek van 1623 was in 1923 aan de beurt om gezet en gedrukt te worden en het exemplaar dat ik mocht inzien was puntgaaf. Met witte handschoenen aan mocht ik het raadplegen in de hypermoderne Médiathèque Michel Crépeau te La Rochelle.


Tot mijn verrassing vond ik wel vier aanknopingspunten voor Koers Pal Noord. Allereerst het gegeven dat Louis XIII het voornemen had La Rochelle te bezoeken, maar dat hij als zekerheid bedong dat een groep vooraanstaande burgers als gijzelaars in het onder zijn controle staande Brouage werden vastgehouden. Toen de gijzelaars terugkeerden reisde er een groepje buitenlandse zeelieden mee. Datzelfde groepje was vervolgens te La Rochelle betrokken bij de aanhouding van een brandstichter en de eerder besproken onderschepte post van een koerier des konings. En tenslotte vertrok dat groepje uit La Rochelle noordwaarts, op de “Saint François”, een in beslag genomen schip uit het koningsgezinde Nantes dat na betaling van een flink losgeld naar haar thuishaven mocht terugkeren. Het grootste deel van de bemanning was gedrost en en paar extra handen – met ervaring - waren bijzonder welkom.


Het was duidelijk: de route van Koers Pal Noord voerde langs de Atlantische kust van Fuenterrabia naar Brouage en La Rochelle, waarbij waarschijnlijk een deel van de pelgrimsroute uit Compostella werd gebruikt. De reis werd vanuit La Rochelle per schip voortgezet naar Nantes.


Aflevering 3


Het ligt voor de hand dat Michiel en zijn kornuiten bij het van boord stappen in Nantes de keus hebben gemaakt om voorlopig de kustlijn niet verder te volgen. Het zou gewoon te veel tijd hebben gekost. De Bretonse kust kent honderden inhammen die in een enkel geval tientallen kilometers diep landinwaarts reiken. Bouwen Ewouts, een van Michiels metgezellen, was een ervaren stuurman die de Franse kust van Calais tot Saint Nazaire op zijn duimpje kende en hij heeft deze basiskennis van het navigeren ongetwijfeld met de anderen gedeeld. Bovendien: Nantes was (en is nog steeds) een havenstad aan de Loire, maar zij ligt wel degelijk vijftig kilometer bij de zee vandaan! Je kunt aannemen dat het viertal een route zocht waarbij zij een flink stuk van dat enorme schiereiland zouden afsnijden met het doel zo snel mogelijk op de monding van de Seine af te gaan. Dwars door Bretagne kon dat in een paar dagen - lopend langs de zee had het minstens vijf weken in beslag genomen.


Nog een punt dat de gedachte van zo’n oversteek aannemelijk maakt: Michiel en zijn makkers waren bij hun aankomst in Nantes hoogstwaarschijnlijk redelijk bij kas en konden dus nog meer tijdwinst boeken door een deel van het traject per koets af te leggen. Ze hadden de Saint François als volwaardige zeelui naar haar thuishaven helpen varen en het stadsbestuur van La Rochelle een goede dienst bewezen – mede door hun toedoen was het verraad van Koning Louis immers aan het licht gekomen. Dat heeft geld opgeleverd. Wie een goede dienst levert, wordt beloond. Wie werkt, wordt betaald. Dat is vandaag de dag zo; aan het begin van de zeventiende eeuw was dat al niet anders.


In Nantes staat een heus Postmuseum  en de curator lichtte mij graag in over de mogelijkheden van het “openbaar vervoer” omstreeks het jaar 1623. Vanuit elke Franse stad van enige omvang bestond al een geregelde dienst per postkoets naar en van Parijs. Vanuit Nantes was het ook al mogelijk om op deze wijze – naar keuze via Vitré dan wel via Rennes - naar het aan de kust liggende Le Mont (Saint Michel) te reizen! Meer dan een dag of drie zou het zeker niet in beslag nemen. Onderweg werd in herbergen overnacht; dat was toen al bij de prijs inbegrepen. De koetsier regelde alles en streek er provisie voor op. Onderweg moest regelmatig tol worden betaald: landeigenaren hadden het recht om “geld voor overpad” te vragen en bij het passeren van bruggen – vaak in het bezit van particulieren – moest de reiziger altijd in de buidel tasten.


Vanaf Le Mont Saint Michel is het ongeveer 160 kilometer naar de monding van de Seine. Binnendoor moet je zoiets in een week kunnen lopen, mits er niets tegen zit.


En daar raak ik aan een essentieel punt voor de compositie van een goed en spannend boek. Want een tocht van 1100 kilometer door Frankrijk is best wel zwaar, dat zal niemand ontkennen. Maar als tijdens die wandeling alles meezit stelt het als verhaal uiteraard niet zo veel voor. Kortom: in Koers Pal Noord wordt het zo langzamerhand tijd voor een flinke portie drama. Vriendschap en kameraadschap zijn prachtige dingen als je tijdens zo’n lange thuisreis op elkaar aangewezen bent. Maar er moet ook iets gebeuren om aan te tonen dat die begrippen een feitelijke inhoud hebben! Wat stelt vriendschap immers voor als het verdampt zodra de relatie onder druk komt te staan? Hoogste tijd dus voor tegenslag, ruzie, ziekte en andere nare dingen. Het geld gaat op aan een chirurgijn en de aanvankelijk goed bemiddelde reizigers veranderen in rondtrekkende armoedzaaiers die men mijdt. Michiel loopt het zelfs letterlijk “dun door de broek” nadat hij een paar minder frisse vissen heeft geconsumeerd. Hij heeft dan al twee dagen op een lege maag gelopen. En een mens moet toch eten ....

Le Mont Saint Michel ligt grofweg halverwege de route van Michiels avontuurlijke tocht vanaf de Spaanse grens naar Vlissingen. Ruime aantallen toeristen weten het nog ieder jaar te vinden; in het zomerseizoen kun je in de Grande Rue over de hoofden lopen.


In Koers Pal Noord is Le Mont een keerpunt. Zodra zij bij “de kathedraal op de berg” arriveren gaat er van alles mis. Het uitzicht op een goede afloop van de tocht wordt ernstig verstoord.


Aflevering 4


Het kunststukje “oversteken van een schiereiland” is ons viertal bij Bretagne gelukt en heeft hen tijdwinst opgeleverd. Het dient dus na het aandoen van Le Mont Saint Michel bij Normandië herhaald te worden. Voorbij Caen is de monding van de Seine de enige grote hindernis. Deze was in het begin van de zeventiende eeuw ter hoogte van Honfleur zo’n zeven kilometer breed. De Pont de Normandie hoeft tegenwoordig slechts een slordige duizend meter water te overbruggen - in de vorige eeuw is er ten zuiden van Le Havre een reusachtig omdijkt industrieterrein aangelegd.


Ik stipte het in aflevering 3 al aan: het is vanaf dit punt gedaan met voorspoedig reizen. Ze zijn zich er niet van bewust dat sinds hun vertrek uit La Rochelle patrouilles van het Koninklijk leger naarstig naar vier rondtrekkende zeelieden uitkijken. Een koerier van Lodewijk Xlll is van een uiterst vertrouwelijke brief beroofd die in de handen van tegenstanders de reputatie van de Koning ernstig kan schaden. Bij die overval zouden vier noordwaarts reizende matrozen betrokken zijn. Dit is niet zo maar een gimmick om Koers Pal Noord spannend te maken .... we hebben hier te maken met een historisch feit.


In Caen krijgen Michiel en zijn makkers noodgedwongen met een chirurgijn te maken. In die tijd heette in Frankrijk zo iemand een ‘apothicaire’ en in tegenstelling tot hun collega’s in De Nederlanden waren dit goed opgeleide, hygiënisch werkende en dus behoorlijk prijzige vaklieden. Het zetten van Barts gebroken arm gebeurde niet pijnloos, maar wel vakkundig en de ingreep soupeerde het volledige reiskapitaal op. Als ze met de hulp van een goedmoedige visser de Seine oversteken merkt Michiel dat hij zich niet lekker voelt: hij heeft bedorven vis gegeten. Bart wordt koortsig en begint te hallucineren.


Door slecht weer en gebrek aan eten neemt hun conditie snel af. Totaal uitgeput komen ze aan de rivier de Saâne. Tolgeld om de brug over te gaan hebben ze niet. Ze zakken tegen een muurtje en leggen een muts neer in de hoop dat iemand er een muntje in werpt. Een groep soldaten rekent de bedelaars in en smijt hen in Dieppe in de kerker. Het moet een dieptepunt in hun leven zijn geweest. Wegens hun deplorabele toestand schuift het stadsbestuur hen echter na een kort verhoor door naar Notre Dame de Bon Secours, een hospitaal voor geesteszieken buiten de noordelijke stadspoort, op een rots hoog boven de zee. Daar neemt een der paters hen onder zijn hoede. Hier kunnen ze in alle rust aansterken. Het is een herijking in het leven van een van onze helden, Bouwen Ewouts. Ik heb hem in het verhaal neergezet als een papenvreter, een hartgrondig hater van alles wat naar katholicisme riekt – want zo waren er nogal wat in die tijd. Maar Bouwen, kleinzoon van een bekend Vlissings admiraal naar wie nog een straat is vernoemd, ontdekt dat je niet alle ‘paapse priesters’ op één hoop kunt gooien. De kabouterkleine “Père Jean” is een kundig en ruimdenkend man die hen pas laat gaan als ze weer volledig zijn aangesterkt. Hij dringt hen niets op, laat hen geen kaarsjes branden of beloftes doen en rekent geen kosten voor de bewezen diensten: barmhartigheid in de praktijk.


Het hospitaal is intussen verdwenen, maar op dezelfde plaats staat nog steeds een kerk, gewijd aan zeevarenden, met de naam Notre Dame de Bon Secours – Onze Lieve Vrouwe van de Goede Hulp.


Een tocht langs deze kust biedt de wandelaar prachtige vergezichten en imposant natuurschoon, waaronder de fraaie kalksteenrotsen van Etretat en de falaises van Vaucottes en Aval. Het is zeer de vraag of Michiel, Bart, Bouwen en Gilles daarvan hebben genoten.


Vanaf Dieppe is het nog een kilometer of veertig tot aan de rivier de Somme – in die tijd de uiterste grens van het Nederlands taalgebied. Nog heden ten dage spreken de oudere mensen een begrijpelijk Vlaams dialect. Ergens bij Hucqueliers (departement de Somme) hoorde ik van een oude boer dat hij ‘erpels’ verbouwde ....


Dat houdt echter absoluut niet in dat de reizigers veilig zouden zijn op het moment dat ze de Somme overstaken. Integendeel. Vlaanderenland was immers in Spaanse handen en steden als Duinkerken en Oostende konden ze beter maar mijden.


Tijdens mijn zoektocht door deze streken stuitte ik ergens boven Abbeville op een dorp met een bijzondere naam: Machiel. (*4) Ik heb geprobeerd iemand te vinden die me iets kon vertellen over de herkomst ervan. Het is me helaas niet gelukt. Het zou natuurlijk heel fraai zijn geweest als onze Michiel – die tenslotte in goed zeventiende eeuws Vlissings als Machiel werd aangesproken – er iets mee te maken had gehad.


De eerstvolgende haven van enige omvang is Boulogne, nu een belangrijke plaats voor de visaanvoer voor de Parijse markt. In de zeventiende eeuw deden tal van Zeeuwse en Hollandse schepen deze plaats aan en de vier matrozen zullen er hun diensten hebben aangeboden om te timmeren, breeuwen of zeilen en netten te repareren om zo wat geld te verdienen, hun vertrek zo lang mogelijk uitstellend in de hoop dat er een schip naar het noorden de haven zou aandoen.


En route daarna is Calais slechts schijnbaar een logische stopplaats, want daar kwamen ze zeker niet binnen. In 1623 liet men daar beslist geen buitenlanders toe. Waarom?


Calais heeft tweehonderd jaar een Engelse bezetting gehad. De Engelsen joegen de bewoners van Calais de poorten uit en vervingen hen door families die ze uit Engeland lieten overkomen. Toen de Fransen de stad weer in bezit kregen draaiden ze net zo rigoureus de rollen om en sloten de poorten voor iedereen die een andere taal dan Frans sprak.


Ik wil deze gelegenheid gebruiken om de reputatie van het verderop gelegen Duinkerken aan de orde te stellen. Door onze geschiedschrijving bestaat er tot op de dag van vandaag een negatief beeld van deze Noordfranse havenstad. Dat is niet terecht. Natuurlijk zaten daar de kapers, aangestuurd door de Spanjaarden, om de schepen uit De Zeven Provinciën waar dat maar kon aan te vallen en zonder pardon de lading over te nemen. In Vlissingen en Middelburg werd dat net zo aangestuurd, maar dan met Spanje als vijand. Toch vinden wij allemaal dat in Vlissingen en Middelburg uitermate fatsoenlijke kooplui en handwerkslieden woonden die hun stad op een nette burgerlijke manier bestuurden. Wel, in Duinkerken was dat net zo. Duinkerken paste qua beeld heel goed in het rijtje Harlingen, Enkhuizen, Hoorn, Delft, Zierikzee en ga zo maar door ....

Koers Pal Noord / een tijdschets.


Ik zal u maar meteen bekennen dat ik dank zij de research voor mijn verhaal over Michiel de Ruyter flink wat rijker ben geworden. De eerste helft van de zeventiende eeuw werd voor mij springlevend – iets waar de geschiedenisboekjes op school hopeloos in faalden. Ik weet nu waar de bierdragers, timmerlui, handelaren, herberguitbaters, dienstbodes en kapiteinsvrouwen het over hadden, wat hen in die tijd bezig hield, wat de componenten waren van hun vreugde, verdriet, verwachting en vrees.


Als Michiel de Ruyter 2 jaar oud is wordt het Twaalfjarig Bestand afgekondigd. Hij is dus middenin de Tachtigjarige Oorlog geboren en heeft de glorieuze afloop daarvan mede vorm gegeven.


Willem van Oranje, de eerste bindende figuur in de begintijd van die oorlog, was vooral iemand die politieke paden bewandelde, connecties met de machthebbers in omringende landen opbouwde en aanstuurde op een hechte samenwerking (zelfs op een samengaan als een personele unie) met Frankrijk.


De Staten van Holland en Zeeland besloten uiteindelijk hèm de soevereiniteit op te dragen. Daar zaten veel financiële haken en ogen aan, zeker ook waar het de uitvoerende macht betrof. De Staten zagen in de landen om ons heen genoeg voorbeelden hoe ze het NIET geregeld wilden hebben: koningen hadden regelmatig geld nodig en bezaten te veel macht. De burgers, kooplui, kapitaalverschaffers in De Zeven Provinciën stonden op de drempel van enorme expansiemogelijkheden en wilden zo veel mogelijk de touwtjes zelf in handen houden. Dat was een breuk met wat men in Europa gewend was - dus werd de geboorte van De Republiek met argusogen gevolgd, met wantrouwen en met weerzin. In die optiek zult u begrijpen dat De Staten in hun voorzichtigheid niet verder gingen dan het aanbieden van de titel “graaf”. Graaf Willem der Nederlanden, Prins van Orangien moest de kersverse natie gaan leiden als de Spanjaarden eenmaal het loodje hadden gelegd.


Maar Koning Philips - formeel nog steeds de soevereine vorst van de opstandige Nederlandse provinciën - wist dit te verhinderen. Midden in het onderhandelingsproces over de nieuwe positie van Willem van Oranje vond er voor de tweede keer een aanslag op hem plaats, deze keer met succes. Willem van Oranje werd in 1584, te Delft zoals wij allemaal weten, door de huurmoordenaar Balthasar Geraerds uit de weg geruimd. Deze nam enige tijd om tot de kringen van Willem van Oranje door te dringen, zijn vertrouwen te winnen en had al eerder toe kunnen slaan - als hij maar een wapen tot zijn beschikking had gehad. Het was een scenario dat in een hedendaagse Bondfilm niet zou misstaan. Overigens: Geraerds werd voor zijn daad door Koning Philips postuum geridderd.


Willem van Oranje was dus iemand van vóór De Ruyters tijd.


Na zijn dood zakt de leiding over de Nederlanden in. Weliswaar staat er een jongeman te trappelen om de fakkel over te nemen: de 17-jarige Maurits. Hij is nog te jong om de groeiende klasse van heerszuchtige kooplieden tegenspel te bieden en de Nederlanden feitelijk leiding te geven, maar zal ten opzichte van zijn vader een veel grotere betekenis voor de uitbouw van de jonge nieuwe natie spelen. Maurits onderbreekt zijn universitaire studie en begint aan een praktijkopleiding, passend in de omstandigheden van dat moment: een militaire carrière. Zijn hele werkzame leven voert hij een strijd op twee fronten: militair tegen Spanje en zijn wisselende bondgenoten, politiek tegen de groeiende financiële macht van de stadsregenten, de kooplieden die voor elke uitgave verantwoording eisen en ook op de terreinen waarop ze niet deskundig zijn wel vier vingers in de pap wensen.


Overigens zal er in 1623, als het twaalfjarig bestand voorbij is en de strijd tegen Spanje wordt hernieuwd, een aanslag op Prins Maurits op het nippertje worden verijdeld. Dat was een uitgebreid complot, op poten gezet door een groep Remonstranten, deels uit wraakgevoelens over de smadelijke dood op het schavot van hun bejaarde voorman Johan van Oldebarneveldt. Een en ander kwam vroegtijdig aan het licht door de wakkere houding van vier zeelui die voor een aanslag werden ingehuurd. Alle betrokkenen werden zonder pardon terechtgesteld. Dit voorval speelde in februari 1623 en mijn jeugdroman in de zomer van datzelfde jaar en dus heb ik het in mijn verhaal kunnen weven.


De Staten besluiten tot een noodgreep: ze bieden de Franse Kroon onze soevereiniteit aan. Op dat moment is de situatie in Frankrijk zeer verward; het land gaat gebukt onder godsdienstoorlogen, Karel IX is een machteloze vorst en zijn pretendent Hendrik van Navarra wordt (net als Willem) in 1584 vermoord. Opvolger Hendrik IV heeft de handen vol, vindt de voorwaarden die vanuit De Staten gesteld worden ridicuul en weigert, mede uit vrees voor de reactie van buurland Spanje. De Staten richten hun blik vervolgens over Het Kanaal, waar de Britse vorstin Elisabeth met krachtige hand regeert. Ook zij weigert beleefd, uit vrees voor Spaanse represailles. Maar ze ziet wel in dat haar natie er nadeel van zal ondervinden als 'The Dutch Revolt' door gebrek aan leiding in de kiem wordt gesmoord. Elisabeth maakt een moedig gebaar: zij stuurt 5000 man ter bescherming naar het Zeeuwse, plus een sterke man die zal helpen orde op zaken te stellen. Zij krijgt daarvoor Vlissingen, Fort Rammekens en Brielle in onderpand, met een overeengekomen geldswaarde van een kwart miljoen Britse ponden. De Staten bekrachtigen een en ander door Elisabeths vertrouweling de Graaf van Leicester tot landvoogd te benoemen.


In de praktijk blijkt deze constructie echter niet te werken. Leicester vertrekt na drie jaar in 1587, moe van het gedraai, gekonkel en gekissebis in de Nederlandse politiek.


Vanaf 1585 tot in het twaalfjarig bestand bezat Engeland dus twee enclaves in de Nederlanden en controleerde daarmee de hele delta. Direct naast Vlissingen lag jarenlang een Engels leger, hetgeen geen probleem gaf. De Britten kerkten ongehinderd in het fel protestants Oranjegezind Vlissingen. Zij kregen een deel van de Sint Jacobskerk toegewezen, met een rijk geornamenteerde eigen ingang. De Engelsen waren welkom, verklaarde tegenstanders als zij waren van de Spaanse overheersing op de dan bekende wereldzeeën. De Engelse Oorlogen lagen nog ver in het verschiet en voorlopig liepen de belangen van de Republiek en Engeland keurig parallel ....


Het luidst juicht de plaatselijke middenstand: de aanwezigheid van de Britten is goed voor de omzet. Dat feest duurt tot 1615; dan krijgt De Republiek letterlijk voor een koopje de zeggenschap over Brielle en Vlissingen terug. James, de opvolger van Elisabeth, verkeert chronisch in geldnood, haalt de bezettingsmacht naar huis en geeft de steden voor een habbekrats aan de Nederlanden terug. Tientallen Britse soldaten maken de keus op Walcheren te blijven, meestal omdat er iets moois met een Vlissings, Ritthems of Souburgs meisje is opgebloeid. Tot op de dag van vandaag vind je in deze contreien nog mensen met Engelse achternamen - vaak verbasterd. Namen als But, Ingels of Engels, Smit, Lemson of Dee.


Een van Michiels metgezellen in Koers Pal Noord is de zoon was van zo'n Engelse achterblijver.


Maurits had duidelijke ideeën over het belang en de positie van Vlissingen en verleende volop faciliteiten om dit vorm te geven. Toen Michiel als kind buiten speelde en als elfjarig jochie op de lijnbaan van Lampsins werkte – waarbij het zeer de vraag is of dat in een blauwgeruite kiel gebeurde – heeft hij de contouren van zijn stad zien veranderen. Het lijdt geen twijfel: hij heeft de ingenieurs van Maurits aan het werk gezien en met zijn maatjes gespeeld op de in aanbouw zijnde stadsmuren, retranchementen en glacissen. Hij heeft naar hartelust gezwommen in de nieuw aangelegde havens.


Vlissingen groeide in de eerste decennia van de zeventiende eeuw bijkans uit zijn voegen. De aloude hoofdbron van het bestaan – haringvisserij – was zo goed als verdwenen om plaats te maken voor de levensgevaarlijke maar zeer lucratieve “vrije neringhe”: de kaapvaart. Het is in latere jaren met succes stilgehouden, maar kaapvaart was de kurk waarop de Vlissingse welvaart dreef. En de Middelburgse.


Rond het jaar 1623 – voor mij een markant jaartal omdat Koers Pal Noord zich juist in die zomer afspeelt – telt Vlissingen 27 kaperschepen met ruim 500 stukken geschut en vast werk voor 3500 man. Het staat vast dat De Honte, het schip waarop Michiels Franse avontuur begon, tot deze vloot behoorde. Toen het schip door de Spanjaarden geconfisqueerd werd wist elk lid van de bemanning welk lot hen wachtte: de galeien of de slavenmarkt. In beide gevallen was de kans uiterst gering dat ze hun vaderstad ooit terug zouden zien.


Bronnen:


Vaderlandsche Geschiedenis - Pieter Louwerse (Holkema & Warendorf 1908)


Michiel Adriaansz De Ruyter - P. J. Blok (Martinus Nijhoff 1947)


Histoire de la France - Pascal Balmand (Hatier 1992)


Rechterhand van Nederland - Prud’homme van Reine (Arbeiderspers 1996)


http://www.dutchrevolt.leidenuniv.nl