Wrede Bedriegster
Een eenzame stern scheert over het Haringvliet
Zijn vlucht vol rauw geschreeuw
Een vis wordt weggegrist
Het water sluit de rimpelende kring
Schuift minzaam haar oppervlak dicht,
Krijst de vogel om wat hij in de diepte ziet?
Bespeurt het felle oog van een meeuw
Een bleek gezicht, dat zo lang al wordt vermist?
Kent hij soms iedere drenkeling
Die daar al sinds de stormvloed ligt?
Als een mooie vriendin met mat glanzende huid
Heeft zij zich bekoorlijk voor mij neergevlijd
Maar wee als het begint te waaien
Dan zullen haar klauwen naar mij graaien
Mijn leven gulzig roven, zonder spoor van spijt