Voorleesverhaal Cas & de draak.
Cas is op vakantie in Frankrijk. Met zijn ouders, zijn zus en hun hond Kelly staan ze op een gezellige camping in een heel mooie bergachtige streek. Er zijn nog een paar Nederlandse families op de camping, maar ook Fransen, Engelsen en Duitsers.
Het is midden in de zomervakantie; eind juli en prachtig weer. De hemel is strak blauw met niet meer dan een stuk of vier kleine witte wolken.
Cas heeft de beurt om Kelly uit te laten en hij heeft besloten eens een ander paadje te kiezen. Voorbij de camping loopt hij midden in een weiland, op weg naar de bosrand verderop.
Ineens ziet hij Kelly verdwijnen. Zoef!
Cas is verbijsterd. Hoe kan dat nou? Hij holt naar de plek waar zijn hond plotseling in de lucht is opgelost. Hij roept en roept. Niets. Zou Kelly weggetoverd zijn? Hij kijkt om zich heen en luistert. Het enige wat hij hoort is het geluid van de vogels.
Wat moet hij doen? Terugkomen zonder Kelly betekent meteen een uitbrander van zijn vader. “Je weet toch dat die hond aan de riem moet als je hem uitlaat!”
Dan lijkt het wel of hij Kelly hoort blaffen. Het klinkt heel ver weg. Het lijkt wel of het uit de grond komt! Hij gaat op zijn knieën zitten en luistert. Dan legt hij zijn oor in het gras. Zo kruipt hij luisterend een beetje rond. Het is maar goed dat er niemand in de buurt is – anders zouden de mensen nog denken: wat is dat voor een rare jongen? Wie daar kruipt er nou in een weiland rond met zijn oor tegen de grond?
Dan weet Cas het zeker. Dat geluid is het gepiep van Kelly. Er is maar een hond op de wereld die zo aanstellerig kan doen. En daar ... een gat in de grond! Het is groot genoeg om zo’n klein geval als Kelly door te laten, maar Cas is er toch echt te breed voor. Hij steekt zijn arm in het gat en graait lukraak in het rond. Geen Kelly. Wat nu?
Hij holt terug naar de camping en bedenkt onderweg een plan. Een kwartier later is hij terug met een schep, een touw en een stok. De stok ramt hij zo ver mogelijk de grond in, het touw bindt hij eraan vast. Dan maakt Cas het gat een beetje groter zodat hij er zelf door kan. Hij grijpt het touw en laat zich voorzichtig zakken. Hij kan Kelly nu veel beter horen. Sjonge, wat een zielig gepiep. Hij is vast en zeker erg bang. Het beest zal toch geen poot gebroken hebben? Wat is het hier donker! Het daglicht maakt boven hem dan wel een cirkel, maar hier beneden ziet hij helemaal niks. Hij laat zich nog wat verder zakken. Heel voorzichtig. Daar voelt hij de vacht van Kelly. Gelukkig!
Het beestje hijgt en likt meteen zijn hand. Maar waarom bibbert hij toch zo? Cas grijpt Kelly beet en klemt hem onder zijn arm. Dan voelt hij nog iets. Een heel groot stuk koude huid. Is het wel een huid? Er zitten schubben aan! Cas wordt misselijk van de schrik.
Dan klinkt er een zwaar gebrom, uit een heel diepe keel. “Wat moet dat nou weer,” zegt een brommerige stem. “Weer een indringer door de luchtkoker?”
Cas slikt een paar keer. “Wie bent u?” piept hij met een hoog stemmetje.
“Ik ben een draak,” zegt de zware stem. “Ik ben misschien wel de allerlaatste draak op deze wereld, want ik ben in geen eeuwen collega’s tegengekomen. Maar ik merk dat je bang bent ...”
“Nou, een beetje wel,” beaamt Cas.
“Dat is nergens voor nodig,” zegt de draak. “Ik eet alleen maar wortels van planten en zo. Ik ben vegetariër, zogezegd. Ik zou wel wat vers gras lusten, maar de ingang is te ver weg en door de luchtkoker kan ik niet naar buiten.”
“Ik heb het gat een beetje groter gemaakt,” zegt Cas. Nu hij weet dat deze draak geen vlees eet is zijn angst een stuk minder. “Spuugt u ook vlammen uit?”
“Dat heet spuwen, niet spugen,” verbetert de draak. “Maar om je vraag te beantwoorden: het is ja. Ik spuw vuur. Maar eerlijk gezegd alleen als ik ergens bang voor ben. Als ik in ernstig gevaar verkeer. Snap je?”
Cas snapt het. De verklaring van de draak heeft hem nog wat geruster gemaakt. Kelly likt opnieuw zijn hand en keft zacht. “Juist,” zegt Cas. “Nu begrijp ik het helemaal. Maar ik moet er vandoor. Ik was mijn hond aan het zoeken nadat hij door een gat in de grond in uw hol was gevallen.”
“Mijn hol?” bromt de draak. “Heb ik een hol? Wat is dat, een hol?”
“Nou,” legt Cas op zijn beurt uit. “Wilde dieren wonen gewoonlijk in een hol.”
“Wat hol? Niks hol!” roept de draak geïrriteerd. “Wat denk je wel, snotaap! Ik woon hier in een paleis! Een heel groot ondergronds paleis!”
“Neem me niet kwalijk,” zegt Cas bewonderend. “Ik wil u wel geloven, natuurlijk, maar ik zie er niets van. Het is hier echt pikkedonker.”
“Juist, ja,” zegt de draak bedachtzaam. “Daar is wel iets aan te doen. Ik zal een lichtje maken. Niet schrikken, hoor.”
Cas hoort een pompend geluid dat snel overgaat in een schel gefluit, net of er een fikse windvlaag aan zit te komen. Dan komt er een lange gele vlam uit de bek van de draak, met rood aan de buitenkanten. Dat houdt het beest wel zeven seconden vol. Cas valt bijna om van verbazing. Niet alleen van die vlam, maar ook van alles wat hij in die zeven seconden kan zien. Allereerst de draak zelf: hij is helemaal niet zo erg groot. Hij ziet er ongeveer uit zoals een bruine dinosaurus van een meter of tien lang. Maar Cas ziet ook dat hij aan de rand van een diepe afgrond zit! Voorbij de rand ziet hij gigantisch hoge bogen van witte steen, misschien nog wel hoger dan een flatgebouw. Overal hangen er plantenwortels in lange slierten naar beneden. Daar eet de draak zeker van.
“Ja,” zegt de draak trots. “Daar word je wel even stil van, zeker.”
“Nou,” zegt Cas. “Het is maar goed dat ik niet meteen ben doorgelopen. Dan was ik zo in de afgrond gestort.”
“Dat weet ik,” antwoordt de draak. “Maar ik zag je komen. Ik had je wel opgevangen hoor, net zoals ik trouwens je hond heb tegengehouden.”
Kelly blaft. Cas kriebelt hem even boven z’n oren. “Dank u wel voor het redden van mijn hond,” zegt hij beleefd.
“Dat is wel oké hoor,” bromt het beest. “Waarom ben je eigenlijk die luchtkoker binnengegaan? Dat is hartstikke gevaarlijk voor jongetjes van jouw leeftijd.”
“Ik moest mijn hond toch redden? Ik hou van hem!” zegt Cas eenvoudig.
“Wat is dat, houden van?” wil de draak weten.
“Weet u dat niet?” vraagt Cas verbaasd. “Gewoon. Je helpt en knuffelt en verzorgt elkaar als je van elkaar houdt.. Dat gaat zo als je samen bent.”
“Sjonge,” zucht de draak. “Dat moet ik dan altijd missen. Ik ben niet samen. Ik heb niemand om van te houden. Iedereen kan zonder mij.”
“Daar weet ik eventueel wel wat op,” bedenkt Cas. “Als ik mijn vrienden op de camping over u vertel dan komen ze kijken. Zeker weten. Ze willen best van u houden en u verzorgen.”
“Geweldig! Maar weet je ...” aarzelt het beest. “De verzorging is het probleem niet. Ik zorg al zo’n achthonderd jaar voor mezelf, met redelijk succes. Ik heb nooit honger en ik ben nooit ziek.”
“Maar u zou wel een beetje liefde en aandacht kunnen gebruiken,” denkt Cas.
“Jij begrijpt het,” zegt de draak. “Een beetje aanspraak zou ik wel op prijs stellen, geloof ik.”
“Lijkt me geen probleem, hoor,” zegt Cas. “Ik kan gemakkelijk vanmiddag met een man of tien bij u op bezoek komen. Dan nemen we zaklantaarns mee zodat we elkaar eens goed kunnen bekijken.”
“Dat is een prima idee,” zegt het beest. “Ik zal hier blijven wachten. Maar zeg wel dat ze voorzichtig binnenkomen, anders glijden ze zo de afgrond in en dat wil ik niet op mijn geweten hebben ...”
“Dat is dan afgesproken,” zegt Cas. Hij krabbelt overeind en klimt met Kelly in zijn arm langs het touw naar boven. Boven zich ziet hij een lichtpunt. Dat is het gat in de bergwei dat hij groter heeft gemaakt. Als hij bijna boven is draait hij zich om. “Hoe komt het eigenlijk dat wij met elkaar kunnen praten?” wil hij weten.
“Dat is erg eenvoudig,” antwoordt de draak. “Bovenop mijn hoofd zit een enorme bult. Dat is een zogenaamde talenknobbel. Alle draken hebben er een. Wij spreken alle talen van heel de wereld.”
“Sjonge,” reageert Cas bewonderend. “Ik wou dat ik er een had. Het stikt op de camping van de Fransen en Duitsers en daar zou ik dan zo mee kunnen praten ...”
“Het is reuze handig,” beaamt de ander. “Alleen jammer dat ik er zo weinig gebruik van kan maken.” “Dat is straks anders,” belooft Cas. “Tot vanmiddag!”
“Doei!” grinnikt de draak zacht.
Cas klimt uit het gat naar buiten en holt naar de camping.
De eerste die hij tegenkomt is Ricardo.
“Hee, Ricardo! Kom eens!” roept hij enthousiast. “Ik heb een grot ontdekt met een draak er in!” “Zal wel,” zegt Ricardo. “Lekkere fantast dat je bent.”
“Echt waar,” roept Cas. Dan krijgt hij twee ideetjes tegelijk. Eerst denkt hij aan wat zijn oom André altijd zegt: als je de mensen iets voor niets geeft dan heeft het ook voor niemand waarde. Gratis – dat stelt niks voor. Altijd laten betalen, al is het maar twee euro.
Cas denkt ook aan de hartenwens van de draak: hij is dol op vers gras maar kan daar om de een of andere reden niet aankomen.
Dus kijkt Cas Ricardo slim aan. Hij zegt: “Ik breng je ernaartoe voor twee euro en een vuilniszak vol vers gesneden gras.”
“Watte?” roept Ricardo. “Wat is dat nou weer voor iets achterlijks, Cas!”
“Graag of niet,” zegt Cas. “Alle anderen zullen graag mee willen. Om drie uur bij de uitgang van de camping. Wie geen twee euro bij zich heeft en geen zak met gras neem ik niet mee.”
“Hm,” zegt Ricardo. “Ik ben al door mijn zakgeld heen.”
“Dan heb je ontzettend pech,” roept Cas vrolijk.
Zo doet Cas een ronde over heel de camping.
En het lukt.
Om drie uur staat Ricardo bij de uitgang, samen met zijn zussen Alexandra en Imelda. Francien en Marjolein zijn er ook, net als Anja en Gertjan en de Belgische broers Luc en Stefan. Rob en Marloes komen er juist aan. Ze hebben allemaal twee euro en een zak vol gras bij zich. Cas ziet tot zijn plezier dat zowat iedereen een zaklantaarn in zijn zak heeft.
“Nou, Cas,” schettert Marjolein. “Het moet wel de moeite waard zijn want ik heb een uur op mijn knieën gezeten om gras te snijden ...”
“Kom, we gaan,” kondigt Cas aan. “Natuurlijk is het de moeite waard. Het is echt heel erg tof en je zult het de rest van je leven niet meer vergeten. Het zal wel de eerste en de laatste keer zijn dat je een echte draak ontmoet ...”
“Nee hoor!” roept de altijd luidruchtige Rob. “Ik ben in Eurodisney al met een draak op de foto gegaan!”
“Dat was toch geen echte!” roepen de anderen in koor.
Dan komen ze bij het bergweitje aan. De stok staat er nog, met het touw eraan, naast het gat. Cas laat eerst iedereen beloven dat ze het niet verder zullen vertellen.
“Oké, oké!” roepen de kinderen ongeduldig.
“En dan nog wat,” zegt Cas streng. “Als we dat gat binnenkruipen volgt er meteen een afgrond. Je moet je dus langzaam laten zakken. En geen herrie maken. De draak is een vriendelijk beest, maar hij heeft al heel lang geen mensen gezien. Ik ga eerst.”
Daar laat Cas zich voor de tweede keer die dag in het gat zakken. Hij heeft een extra touw om zijn middel en is verbonden met Rob en Gertjan die direct achter hem aankomen. Hij klikt zijn lamp aan en gaat op een veilig plekje voor de afgrond zitten. Ze maken toch wel erg veel lawaai, vindt hij. Zouden ze bang zijn? Waarschijnlijk wel. Je daalt tenslotte niet elke dag af in het hol van een echte draak. Hij richt zijn lamp op de rand van de afgrond zodat iedereen die goed kan zien.
Als ze allemaal beneden zijn schijnen er wel tien lampen in het rond. Het uitzicht is adembenemend mooi. “Fantastisch ...” fluisteren Marjolein en Francien tegelijk.
“Zet de zakken met gras maar daar neer,” gebaart Cas. “Dan zal ik de draak roepen.”
Hij voegt de daad bij het woord.
“Meneer de draak! Meneer de draak!” roept hij.
Vrijwel direct hoort hij de bekende bassende stem. “Ik kom al, ik kom al ...”
Als ze maar niet van de schrik hard gaan gillen, denkt Cas. Straks jagen ze hem nog weg ...
Maar als de draak de hoek omkomt zakken alle monden geluidloos open.
“Sorry,” zegt de draak. “Ik was nog even bezig.”
“We hebben allemaal een zak gras voor u meegebracht,” zegt Cas op een toon alsof hij al jarenlang dagelijks bij de draak op visite gaat.
“Aardig, werkelijk heel aardig,” klinkt het vriendelijk.
Cas hoort zijn metgezellen hijgen van de spanning. Rob is de eerste die iets durft te zeggen.
“Kunt u vuur spugen?’ vraagt hij met een trilling in zijn stem.
“Het is ‘spuwen’, beste jongen,” zegt de draak. “Dat heb ik vandaag al een keer uit moeten leggen. SPUWEN. Draken spuwen vuur als ze in gevaar verkeren. Dat is nu niet zo, maar ik zal even een kleine demonstratie verzorgen.”
Het fluitend geluid briest weer door de onderaardse gewelven als de draak een enorme vlam naar buiten werkt.
“Ik kan dit niet te vaak doen,” legt hij uit. “Het is een gas dat zich in een van mijn magen ophoopt. Ik kan het ook zonder vlammen laten ontsnappen. Ik maak een vonkje door twee van mijn tanden tegen elkaar te tikken. En dat is een beetje pijnlijk op de lange duur, begrijpen jullie?”
Hij schommelt naar de zakken met vers gesneden gras. “Mmmm, heerlijk,” zegt hij. “Willen jullie die zakken hier leegschudden en dat plastic weer mee naar buiten nemen? Dat gras is lekker, maar we gaan hier natuurlijk niet het milieu nodeloos met plastic vervuilen.”
Ze doen wat de draak vraagt. Hij smult en bromt tevreden. “Dus,” zegt hij tussen twee happen door, “dus jullie houden van mij, want dit is verzorging. Kunnen er een paar van die lampen uit? Ze doen zeer aan mijn ogen.”
“Hoe bedoelt u, dat we allemaal van u houden?” vraagt Rob.
“Nou, wat Cas mij vanmorgen vertelde, over verzorgen en knuffelen en helpen en zo. Ik zou best af en toe wat aanspraak willen. Ik spreek eigenlijk nooit iemand.”
“Je zou hier een toegang kunnen maken en een tribune bouwen,” oppert Ricardo. “Dan moet iedereen een tientje betalen om u te zien en een paar minuten met u te praten ...”
“Dat zou best wel eens een groot succes kunnen worden,” denkt Marloes.
“Dat gaat mij allemaal een beetje ver,” mompelt de draak.
“Of buiten!” roept Alexandra. “Een park bouwen met drakenattracties en dan twee keer per dag een voorstelling!”
“Nee, nee,” roept de draak. “Het hoeft niet zo groot. Ik heb genoeg liefde aan jullie, denk ik.”
“Maar wij gaan over een paar dagen al weer weg,” zegt Francien.
“Als het seizoen voorbij is stroomt de camping leeg,” weet Cas te melden. “Dan moet iedereen weer naar school.”
“O,” fluistert het beest teleurgesteld. “Dus onze liefdesband is maar van tijdelijke aard ...”
“Vlak de Fransen niet uit,” denkt Gertjan hardop. “Die kunnen hier het hele jaar door naar u komen kijken.”
“Ik heb gehoord wat de Fransen met alle oude grotten doen,” klinkt het somber. “En ik kan je verzekeren dat zoiets voor mij niet hoeft. Contact met mensen is alleen leuk als ze nog klein zijn, dat zei mijn moeder al.”
De berg met gras is intussen helemaal verdwenen.
“Het was bijzonder smaakvol,” zegt de draak. “En het haalde een heleboel gezellige herinneringen naar boven. Daarom denk ik eraan om maar weer eens ondergronds verder te trekken. Ik weet nog wel ergens een uitgang waar volop gras groeit ...”
“U gaat toch niet weg?” roept Cas verschrikt.
“Jawel jongen,” zegt de draak. “Het is geweldig goed bedoeld, dat weet ik allemaal wel. Maar als jullie anderen over mij vertellen dan wordt het hier gegarandeerd een gekkenhuis.”
“Maar wij hebben allemaal beloofd om het aan niemand te zeggen!” roepen Alexandra en Imelda tegelijk.
“Dat houdt geen mens vol,” stelt het beest wijs. “Het is ook niet zo erg, ik was toch al min of meer van plan eens verder te trekken. Het is ook beter zo. Niemand zal jullie geloven.”
Hij draait zich om en schuifelt weg. “Nogmaals bedankt voor het gras! Het was erg lekker!”
Hij verdwijnt om de hoek. Ze luisteren allemaal stil naar zijn wegstervende voetstappen.
“Alsjemenou!” zegt Gertjan na verloop van tijd. “Niemand die dit gelooft, natuurlijk ...”
Druk pratend kruipen ze langs de touwen door het tunneltje naar boven. De vuilniszakken nemen ze mee. Beloofd is beloofd.
“Nou,” zegt Cas als de camping weer in het zicht komt. “Heb ik teveel gezegd? Was dat onvergetelijk – of niet?”
“Vast en zeker,” bevestigt Ricardo. “En iedereen zal ons voor een stel fantasten uitmaken. Dus ik hou mijn mond wel dicht. Jij bent de enige voor wie het nog een beetje anders ligt ...”
“Wat bedoel je? Omdat ik er in geloofde?”
“We geloven er allemaal in. We hebben het immers zelf gezien!”
“Hoezo?” vraagt Cas. Hij snapt niet meteen wat Ricardo bedoelt.
Ricardo begint te lachen en slaat hem op de schouder.
“We hebben allemaal een onvergetelijke herinnering,” grinnikt hij. “Maar jij bent de enige die aan dit avontuur ook nog een paar euro heeft verdiend!”