Dubbelinterview Herman Vemde / John Brosens
Herman Vemde en John Brosens hebben afgesproken eens uitgebreid met elkaar over hun laatste geesteskinderen te praten, Tequila Sunrise en Zwart Fortuin.
Ze doen dat halverwege hun woonplaatsen: op de markt van Breda. In café Zeezicht. Als thrillerschrijvers vragen zij zich onmiddellijk af hoe een etablissement op een plaats als deze aan zo'n naam kan komen.
H.: Hoever is de zee hier vandaan? Een kilometer of twintig, als je de Oosterschelde meetelt?
J.: Het kan natuurlijk niet, logisch gezien. Havenzicht zou nog te verklaren zijn, maar Zeezicht ... Bij mij vormt zoiets direct een aanwijzing voor een plot.
H.: Begint het bij jou met een locatie?
J.: Bij Zwart Fortuin zeker. Ik fietste in Rotterdam-Zuid door de Karl Marxstraat en daar viel het me op dat er voornamelijk dure villa's staan. Met die tegenstelling begon het.
H.: Ik heb Zwart Fortuin in twee avonden uitgelezen en dat zegt wel iets. Ik vond het een sterk punt dat het verhaal een omgekeerd uitgangspunt heeft: je weet vanaf het begin wie de dader is. Hoe ben je op dat idee gekomen?
J.: Het is al eens eerder gedaan. Het beperkt je mogelijkheden omdat het speurderselement helemaal wegvalt. Het gaat dan veel meer om de beweegredenen. Tegelijk ontstaat dan de valkuil dat je gaat psychologiseren terwijl je geen psycholoog bent; je kunt de plank dan gigantisch misslaan.
H.: Hoe heb je die valkuil ontweken?
J.: Ik heb het motief van de dader gespiegeld. Dat is een boulimiapatiente die aan één stuk door haar partner gekleineerd en geminacht wordt, waardoor er een onhoudbare situatie ontstaat. Terwijl zij denkt een perfect moordplan op te zetten, blijkt na verloop van tijd dat de ander het ook op haar heeft gemunt.
H.: De kots-scène aan het begin is wel functioneel in een boulimia-verhaal ....
J.: Ik heb reacties gekregen van lezers die dat heel erg smerig vonden. Maar ze lazen toch verder.
H.: Heb jij onderzoek naar boulimia gedaan?
J.: Ik heb twee patiënten geïnterviewd en veel van hun aangevers verwerkt. En twee boeken uit de bieb geleend. Wat nieuw voor mij was: de trigger voor de ziekte komt vaak voort uit de behoefte om warmte en erkenning te voelen, terwijl de mensen die dat moeten leveren het laten afweten. Ze plooien zich altijd naar de ander en worden toch afgewezen.
H.: Carolien, de hoofdrolspeelster in Zwart Fortuin, ontworstelt zich daaraan.
J.: Dat klopt, maar het is ook haar ondergang. Jij voert in Tequila Sunrise ook een vrouwelijke hoofdpersoon op.
H.: Ja. Ik vond het in het begin heel lastig om me in de denkwereld van vrouwen te verplaatsen. Dit is mijn eerste boek met een vrouw in de hoofdrol. Het is met die Moniek ook heel anders gegaan dan ik aanvankelijk in gedachten had. In de loop van het verhaal gaf ze eigenlijk zelf aan in welke richting ze zich wilde ontwikkelen. Het was af en toe wel gewaagd, maar dat hoort bij fictie schrijven.
J.: Heb je dat gecheckt? Bij je eigen vrouw bijvoorbeeld? Met de vraag: klopt het dat vrouwen op deze manier denken of tot deze handelingen in staat zijn?
H.: Bij mijn dochter! Zij vond het wel kloppen, ja. Het moet een beetje gewaagd zijn ...
J.: Verhalen over doodgewone dingen scoren niet. Schrijvers moeten altijd op zoek naar het extreme; anders is het de moeite van het lezen niet waard.
H.: Dat is zo. In mijn boeken komen doodgewone mensen in uitzonderlijke situaties terecht, vaak buiten hun schuld. En dat moeten ze dan maar zien op te lossen. Moniek in Tequila Sunrise wordt in een situatie gemanipuleerd en gaat zich dan gedragen op een manier die niemand voorziet. Zeker haar tegenstanders niet.
J.: Moniek heeft wel de eigenschap dat ze heel goed kan overzien wat er gebeurt. Ze zit niet in de situatie opgesloten met beperkte middelen. Ze is slim. Ze is goed opgeleid. Ze legt al snel bredere verbanden en ze gaat er op uit. Als een soort reddende engel.
H.: Daar zit nog meer achter. Moniek stond voor de keuze: als ik niks doe gaat een kind eraan. Dan staat er morgen in de krant dat er een kinderlijkje is gevonden. Ze komt dan instinctief in actie en neemt risico's die sec gezien heel onverstandig zijn.
J.: Juist door dat soort elementen ontstaat er een goed verhaal. Dat levert drama op.
H.: Precies. Ze wordt er ook voor beloond, ze krijgt uiteindelijk het aanbod om voor een recherchebureau te gaan werken.
J.: Dat biedt perspectief. Keert zij terug in een volgend verhaal?
H.: Wie weet. Ik kan me voorstellen dat lezers zich afvragen hoe het verder met haar zal gaan.
J.: Voor je het weet is Moniek omgevormd tot een seriepersonage.
H.: Wie weet. Dan smeer je de lotgevallen van je hoofdpersoon over meerdere boeken uit. Ik heb geïnformeerd: bij een recherchebureau kom je allerlei zaken tegen. Speurwerk, observatie, fraude, ze verzamelen informatie voor de advocatuur ...
J.: Bij een serie gaan de lezers zich sterker met je hoofdpersoon identificeren. Daar krijgen ze ook volop de kans voor. Bij Baantjer ontstond zelfs een soort verzameleffect.
H.: Jij hebt daar toch ook een aanzet voor gemaakt?
J.: Ik had in mijn eerste twee thrillers dezelfde speurder: Leendert Vosmeer. Voor het volgende boek ontstond haast vanzelf de verwachting dat hij terug zou keren. Dat heb ik niet gedaan. Ik wil breder zijn en niet op één personage vastgepind worden. Ik wil niet de reputatie opbouwen een serieschrijver te zijn. Ik ben heel bewust overgestapt op twee boeken met verschillende hoofdpersonen. Leendert kan altijd nog opdraven. Werk jij met vaste schema's als je een verhaal opzet?
H.: Dat ben ik in steeds mindere mate gaan doen. Ik heb zo langzamerhand de ervaring dat ik er toch van afwijk. Dat is soms nodig. Je begint research te doen en dan blijkt dat je schema niet voldoet, of je vindt leuke dingen waarop je niet hebt gerekend en die je wel degelijk in het verhaal wilt stoppen. Ik maak nu een ruw schema, maar ik weet wel exact hoe ik naar de finale toewerk. De situatie rond de climax ligt vast. Het is een dynamisch proces, geen strak keurslijf.
J.: Je voert in Tequila Sunrise een autistisch kind op. Wat was je motivatie daarvoor?
H.: Ik wilde de vader een reden geven om met justitie mee te werken. Zijn motief reikt nu verder dan alleen financieel gewin: zijn kind is ontvoerd; hij wil het heelhuids terug. Ik wist ook niet hoe een autist in zo'n situatie kan reageren; daar heb ik met experts over gesproken.
J.: Dat is sterk neergezet. Soms blinkt een autist uit in één deelgebied, tekenen in dit geval. Dat levert in Tequila Sunrise voor dat kind een extra gevaar op omdat ze in staat is een beeldcompositie van de ontvoerders te leveren!
H.: Research is van wezenlijk belang. Ik wist hoegenaamd niets van extacypillen, van de fabricage, van het transport en de feitelijke verkoop. Ik heb experts bij de politie gesproken, maar die kunnen je ook niet zo maar alles vertellen. Toch leveren die gesprekken veel op en ook daardoor komt het verhaal logisch in elkaar te zitten. De details moeten kloppen. Ik zie dat in Zwart Fortuin met giftige planten, monnikskap en digitalis. En het gebruik van een destilleerinstallatie.
J.: Sommige planten staan heel mooi in je tuin, maar je moet er wel afblijven. Je kunt er beter geen thee van zetten. Vergif: P. D. James is daar een kei in.
H.: En Agatha Christie. Bij het schrijven pieker ik me suf over de aanwijzingen die je als auteur geeft. Leg ik het er niet te dik op? Staat het op de juiste plaats?
J.: Je mag de lezer niet onderschatten. Het is nu eenmaal de bedoeling dat hij na de laatste pagina roept: natuurlijk, zo steekt het in elkaar! Ik had het kunnen weten!
H.: Maar dat is natuurlijk niet zo. De aanwijzingen zijn er wel, maar de lezer heeft niet de beschikking over het juiste perspectief.
J.: De lezer wil verrast worden. Geef hem informatie op een niet logische plaats, of op een onlogisch moment, en dan baalt hij. Dan springt het eruit, dan is het te vet aangezet.
H.: Lees jij anders sinds je schrijft?
J.: Ik geloof dat ik niet meer spontaan kan lezen. Ik let altijd op de manier waarop een verhaal als constructie is opgezet.
H.: Dat klopt. Vroeger raakte ik echt verloren in een boek; het voerde me mee. Nu let ik op stijl, op techniek, op details. Ik kijk voortdurend hoe het technisch in elkaar zit.
J.: Behept met de schrijversblik. Heb jij ook familieleden of vrienden die je boeken lezen en vervolgens zeggen: jij hebt verborgen trekjes! Er zit vast een donkere kant aan jouw persoonlijkheid die je eigenlijk liever verborgen zou houden ...
H.: Daar zijn ze nu aan gewend. Maar ik herken het. Je ziet er zo beschaafd uit; hoe kun je in godsnaam dit soort dingen schrijven ...
J.: Waar begint bij jou een nieuw verhaal? Wat zijn de triggers?
H.: Dat weet ik eigenlijk niet. Op een gegeven moment ben ik er mee bezig. Dan zegt mijn vrouw: je zit steeds naar de muur te kijken, of naar het plafond.
J.: Ja! Ik heb nu al drie keer hetzelfde tegen je gezegd! Je luistert weer niet!
H.: Dat schijnt bij alle schrijvers zo te zijn. Ik staar naar de muur en dan is het weer zover. Hoe zet jij een verhaal op?
J.: Ik begin met een locatie, een plek. Ik ga erheen, koppel er een vakantie aan en ik maak foto's. Dat gaat in mijn werkkamer op een prikbord, samen met de foto's van de hoofdpersonen. Ik moet het voor me zien; ik heb visuele ondersteuning nodig.
H.: Foto's van je hoofdpersonen?
J.: Die knip ik uit kranten en tijdschriften. Soms staat een bekende Nederlander model voor een van mijn karakters, zonder dat iemand dat weet. Het stelt mij in staat om iemand consequent neer te zetten. Daar moet consistentie inzitten. Ik heb een vast beeld nodig.
H.: Geldt dat ook voor eigenschappen?
J.: Die verzin ik erbij, ik leg een karakterdossier aan. Ik leen eigenschappen en typische kenmerken van mensen die ik ken.
H.: Ik ken in Den Bosch een oud bedrijventerrein met een soort dump waar de gemeentelijke vuilophaaldienst de oude spullen neerzet, oude containers, beschadigde bakken en zo. Die plek had ik al jaren in mijn hoofd als ideale plek voor een achtervolging. In Tequila Sunrise was het zover! Daar kwam het van pas. Toen ik er foto's van maakte werd ik vreemd aangekeken. Wie fotografeert nu toch al die oude rotzooi!
J.: Wat is dat voor een rare man! Een schrijver, zeker.
H.: Het valt mij op dat we beiden een andere stijl van schrijven hanteren. Bij mij is het een soort journalistieke benadering, met vrij korte zinnen. Bij jou zie ik meer bijvoeglijke naamwoorden en meer bijzinnen.
J.: Ik werk graag in een ritme van drie zinnen om iets duidelijk te maken. Voor mij loopt dat lekker. Maar in de eindfase van het schrijfproces zit ik toch te schrappen, zeker ook bijvoeglijke naamwoorden. Het kan vaak zonder.
H.: Het heeft ook met de inhoud te maken. Een psychologisch verhaal vraagt meer beschrijving dan een actiethriller.
J.: Ik heb niet de behoefte om moeilijke termen te gebruiken als het eenvoudig kan. Ik heb een hekel aan mooischrijverij. Het gaat in eerste instantie om de spanning.
H.: Hoe bouw jij dat op? Je kunt wel spanning opbouwen, maar er moet ook een keer iets gebeuren. Het helpt om het vanuit meerdere punten te beschrijven.
J.: Ik heb nog steeds moeite met het perspectief. Met wie gaat de lezer mee? Wie heeft als het ware de camera op zijn schouder?
H.: De spanning groeit als de lezer zich bewust is van een gevaar waar de hoofdpersoon geen idee van heeft. Dat bereik je door met het perspectief te schuiven. Hitchcock was daar een meester in.
J.: Ik zie een verhaal altijd voor me. Ik heb wel de ervaring dat het beschrijven van geweld minder suggestief werkt dan de dreiging ervan. Als je kunt appelleren aan angsten dan heb je de lezer te pakken.
H.: Hoeveel tijd besteed jij aan het schrijven?
J.: Ik ben er elke ochtend mee bezig, soms al vanaf zes uur. Niet alleen met schrijven, ook met denken. Als ik productie maak moet ik er om twaalf uur met geweld afgehaald worden. Er is ook nog zoiets als een sociaal leven. En het gras moet af en toe gemaaid worden.
H.: Om een uur of twaalf stokt het bij mij. Dan lokt de lunch. Maak jij veel versies? Sommige manuscripten gaan pas de deur uit als ze vier keer herschreven zijn.
J.: Met de eerste hoofdstukken ben ik eindeloos in de weer. Maar op een gegeven moment komt de gang erin. De eerste helft verandert twee, drie keer van vorm, maar daarna niet meer. Als ik het af heb leg ik het een week of vier weg.
H.: Wat komt er nu van jou aan?
J.: Dubbel gepakt. Weer een vrouw als hoofdpersoon, maar nu in het uitgeverswereldje. Ze heeft een geheim en ze wordt gestalkt. Het speelt in Amsterdam en Italië. En bij jou?
H.: Ik heb intussen goede contacten met, hoe noem ik dat, regionale politie-informanten. Ze tipten me dat ik iets met kinderporno zou kunnen doen, maar daar heb ik niets mee. Het wordt heel waarschijnlijk vrouwenhandel, met een hoofdrol voor Moniek.
Ruim drie uur later verlaten beide heren Café Zeezicht. Ze hebben even geïnformeerd, maar geen van de drie serveersters heeft een idee waaraan het café zijn naam dankt. Wat doet het ertoe. De zon schijnt, de lucht is blauw, de terrassen van de Markt van Breda zijn druk bevolkt. In de hal van het NS Station nemen zij afscheid van elkaar. Thuis wacht de tekstverwerker.
|