John Brosens - Schrijver & Dichter
   

Home


Een recente foto

Middel & Lijn
Peddelen in de palingstraat
Cas en de draak
Het witte hondje

 

Het witte hondje

Het was eind augustus en de vakantie van Simon en Anita zat er bijna op. Ze hadden langs Schotse B&B-adressen getrokken en in onbekommerde sfeer twee volle weken op het voormalig eiland Skye doorgebracht. Op weg naar huis - richting Hull voor de nachtboot naar Rotterdam Europoort - besloten ze nog een dag of twee op Arran neer te strijken. De noordelijke helft van dit eiland is een beschermd natuurgebied waar de tamelijk zeldzame zeearend nestelt en het observeren van vogels was hun gezamenlijke passie.

Ze boekten twee nachten in ‘The Dog & Bear’, een oude herberg net buiten het dorp Pirnmill aan de westkant van het eiland. De waard zag er - net als het interieur van zijn etablissement - haast zeventiende-eeuws uit met zijn volle baard, rossige teint en linnen voorschot voor een massieve buik. De avondmaaltijd was niet duur, maar wel degelijk: een goeddoorbakken stuk roast beef met donkerbruine Yorkshire sauce, vergezeld door een fikse pul donkerbruin Schots bier.
De volgende ochtend gingen ze op pad, beide voorzien van een lichte rugzak en speciaal voor vogelaars ontworpen lichtgewicht kijkers.
Ze parkeerden de auto bij een boerderij en sloegen noordwaarts een onverharde weg in. Hun route voerde langs ommuurde weidegronden, over de smalle randen van kleine perceeltjes koren en een enkele keer door stukken dichtbegroeid loofbos. Ze stopten bij wijdse vergezichten en keken daar genietend om zich heen, onophoudelijk turend naar de hemel in de hoop de imposante wiekslag van een zeearend te ontdekken. Toen het tijd werd voor de meegebrachte packed lunch hadden ze al een flinke afstand afgelegd en heel wat vogels voor hun lenzen gehad, waaronder een koppel zeldzame zwarte korhoenders en een op geringe hoogte cirkelende steenvalk.
Het was droog en wisselend bewolkt; ideale omstandigheden voor een wandeling in de ruige natuur. Ze spraken af hun tocht tot drie uur voort te zetten. Als ze daarna dezelfde route terugliepen konden ze met gemak om een uur of zeven terug zijn in ‘The Dog & Bear’, zich wat opfrissen en om acht uur aan tafel zitten voor weer een klassieke Schotse avondschotel.
Het liep anders. Net voor half drie sloeg het weer om. De lucht betrok in snel tempo, het begon te waaien en het duurde niet lang of de regenjacks kwamen eraan te pas. De temperatuur daalde snel.
‘We gaan terug,’ besloot Anita rillend. ‘Ik heb er geen zin in om nog een half uur in de regen verder te tobben en dan pas rechtsomkeert te maken.’
Simon baalde zichtbaar. ‘Ik heb nog geen arend gezien,’ bromde hij.
‘Volgend jaar beter ...’
De wind ging liggen, de striemende regen maakte plaats voor een druilerige bui. Toen de temperatuur weer opliep ontstond er een fijne grondmist. Aanvankelijk herkenden ze genoeg punten die ze op de heenweg hadden gezien en konden ze in een vlot tempo doorlopen. Maar de mist werd steeds dikker en uiteindelijk hing er een stille witte deken om hen heen die elke oriëntatie onmogelijk maakte.
‘Had ik nou verdorie mijn kompas maar meegenomen,’ mopperde Simon. ‘Het heeft geen zin om in deze soep te gaan dwalen. Met een beetje geluk slaat het weer straks wéér om, maar dan in ons voordeel.’
Ze vonden een dikke boom met hoog uitstekende wortels.
‘Dit is een goed plekje om af te wachten,’ zei Anita. ‘Er zit toch niets anders op.’
Ze maakten de rugzakken los en installeerden zich zo comfortabel mogelijk tegen de machtige boomstam.
Het weer sloeg niet om. Om de boom hing een drukkende stilte. Anita viste tot Simons verrassing een pakje met vier mueslirepen uit het zijvak van haar rugzak. ‘Nog van vorig jaar,’ grinnikte ze. ‘Maar het zit stevig in de folie en de datum is nog niet verlopen ...’
Om beurten namen ze regelmatig een slok water uit de fles water die ze bij zich hadden.
Het wit van de mist verkleurde langzaam tot grijs; het werd donker. Af en toe hoorden ze geluiden die ze niet thuis konden brengen. Gekreun en gesteun, geritsel en gekraak. Onbestemde nachtgeluiden waardoor ze zich steeds onbehaaglijker voelden.
‘Ik vind het hier eng ...’ fluisterde Anita. Ze kropen tegen elkaar aan.
Anita schoot overeind en realiseerde zich dat ze ingedommeld moesten zijn. Ze keek op haar horloge. Kwart voor twaalf! Ze had honger en voelde zich geradbraakt. Waardoor was ze wakker geschrokken? Ze had een vage herinnering aan een snuivend geluid. Ze duwde de punt van haar elleboog in Simons zij.
‘Ik hoor iets!’
Simon schurkte zijn rug omhoog tegen de ruwe boomschors.
‘We hebben verdomme liggen pitten! En de mist is nog net zo dik!’
‘Ik hoorde iets,’ herhaalde Anita. ‘Een soort gesnuffel.’
Ze zagen het witte hondje gelijktijdig.
‘Ach ...’ riep Anita. ‘Wat een schatje! Kom eens hier!’
En ze plooide haar lippen om lokkende geluidjes te maken.
Het hondje liep voor hen heen en weer en kefte brutaal.
‘Pak je spullen,’ zei Simon. ‘Waar honden zijn, zijn mensen!’
Het beestje holde voor hen uit en bleef af en toe even staan zodat hij juist niet in de mist verdween. Het leek wel of het zijn bedoeling was hen mee te lokken.
“Heeft dit wel zin?’ zei Anita. ‘Als het een zwerfhond is kan hij ons meenemen naar weet-ik-waar!’
‘Ik ben ieder gevoel voor richting nu wel kwijt,’ antwoordde Simon hijgend. ‘Maar dat beestje heeft een halsband om en zal best wel bij iemand horen ...’
Na een kwartier strompelen en struikelen, een enkele keer afgewisseld met het opgewonden gekef van het witte hondje, stond Anita plotseling stil.
‘Ik voel vaste grond!’ riep ze.
Simon zakte met een knie naar beneden en tastte met zijn vlakke hand over de grond.
‘Asfalt,’ zei hij. ‘En kijk daar eens, schuin vooruit!’
‘Licht in de duisternis,’ mompelde Anita, ‘dat zijn straatlantaarns. Eindelijk!’
Ze liepen haastig verder en ontdekten al snel de omtrekken van een huis.
‘Maar ...’ riep Anita stomverbaasd, ‘dat is toch ... de herberg waar we logeren?’
Het was ‘The Dog & Bear’ en binnen brandde nog licht.

De herbergier stak beide armen opgelucht omhoog toen ze binnen stapten. De zeven stamgasten staakten hun drukke gesprekken en keken nieuwsgierig in hun richting. De vrouw van de waard dirigeerde hen onmiddellijk naar het haardvuur en vouwde warme plaids om hun benen. ‘Jullie zullen wel honger hebben,’ zei ze begripvol.
‘Eerst iets om van binnenuit op te warmen,’ riep haar man. Hij pakte twee whiskyglazen en duwde ze tegelijk tegen de ondersteboven hangende flessen.
‘We werden door de mist verrast,’ zei Simon. ‘En daarna zijn we hopeloos verdwaald. Geen idee waar we gelopen hebben ...’
‘Maar gelukkig zijn we opgepikt door een wit hondje,’ lachte Anita. ‘Dat was er opeens. Het schatje heeft ons hier voor de deur afgezet.’
De whiskyglazen werden met een klap op de toog gezet. Het was ineens doodstil in ‘The Dog & Bear’. De waard kwam achter zijn toog vandaan en ging breeduit voor hen staan.
‘Zeg dat nog eens,’ zei hij zacht.
Anita keek verbaasd naar Simon en herhaalde haar woorden.
De waard hief beide armen in de lucht en riep: ‘Free drinks on the house!’
In het rumoer dat ontstond keken de twee vogelaars elkaar verdwaasd aan.
Een van de stamgasten trok een stoel met zich mee en nam naast hen plaats.
‘Mijn naam is Angus McCorrie,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik werk voor de gemeente en doe onder andere de hondenbelasting. Er is op dit eiland niet één witte hond te vinden, dat kan ik u verzekeren.’
‘Het is toch echt waar, hoor,’ verklaarde Anita plechtig.
‘Zeker weten,’ voegde Simon er aan toe. ‘Zonder dat hondje hadden we nu nog tegen die boom gezeten ...’
‘O, maar we willen jullie verhaal maar wat graag geloven!’ riep McCorrie vrolijk. ‘Wij kennen op Arran namelijk een oude legende over een wit hondje, en jullie blazen dat nieuw leven in. Ik denk dat het verhaal voor morgenavond het hele eiland is overgegaan! Het zit zo: zeelieden die ooit schipbreuk leden spoelden hier aan op de kust. Ze waren uitgeput en verdwaalden hopeloos in de mist. In deze streken kan het ineens potdicht zitten, dagenlang, ook midden in de zomer.’
‘Wat heeft dat hondje er dan mee te maken?’ vroeg Anita.
‘De zeelui dachten dat ze zouden omkomen van honger, dorst en uitputting. Ineens ontdekten ze een klein wit hondje dat blaffend om hen heen sprong. Ze gingen er achteraan en toen bleek dat het beestje hen naar het dichtstbijzijnde huis gidste. En vervolgens verdween het dier in het niets. Spoorloos.’
Dat laatste konden Anita en Simon volmondig beamen.
De waard zette de glazen met whisky voor hen neer.
‘Drink maar lekker op, daar word je warm van,’ zei hij. ‘Zo, dat is goed afgelopen! En het wordt nog veel mooier. Mijn vrouw staat in de keuken een lekker potje voor jullie te koken en dat komt niet op de rekening. Ik moet me wel erg vergissen als we vanaf morgenmiddag geen full house scoren - en geloof me: dat zou wel eens een week aan kunnen houden!’