Een recente foto
Uiteindelijk had mijn uitgeefster het manuscript van ‘Helletocht’ na drie keer herschrijven dan toch goedgekeurd. Tijdens het afrondingsgesprek op het terras van een mosselrestaurant in Philippine vertelde ze opgewekt dat ze het nu een lekker scherp verhaal vond - ze had het die ochtend voor ze vertrok op het bureau van de opmaker gelegd. ‘We gaan in april drukken,’ zei ze goedgehumeurd. ‘Dan ligt het in mei in de winkel en neemt iedereen het na de Maand van het Spannende Boek gezellig mee op vakantie!’
Ik deelde haar enthousiasme niet. Ik voelde me leeggeschreven en dat was voor mij een nieuw en teleurstellend fenomeen. Tegen de gewoonte in had ik nog helemaal geen idee voor een volgend boek en ze vroeg er ook niet naar. Was mijn moeheid zichtbaar?
Zo te zien merkte ze niets. Ze trok het definitieve contract uit haar attachékoffer en schoof het om de borden heen naar mij toe.
‘Twee keer,’ zei ze. ‘Kijk uit dat je geen vlekken maakt.’
Terwijl ik mijn handtekeningen plaatste was ik mij scherp bewust van de zwoele avondlucht, de kokmeeuwen boven het dak van de muziektent midden op het plein, het aangenaam geroezemoes op het terras en de twee mussen die neerstreken op de verlaten tafel naast ons.
De mosselen met zeekraalsaus hadden mij prima gesmaakt, de Sèvre et Maine - haar keus - paste er heel goed bij en was heerlijk koel. Ik legde de vulpen op tafel en leunde tevreden achterover. Deze avond had iets moois. Iets positiefs, iets goeds waardoor mijn mineurstemming naar de goede kant zou kantelen. Het was nu eind september en ik had al besloten een paar dagen in Zeeuws Vlaanderen te blijven. Zonder laptop, telefoon niet ingeschakeld, de opvouwbare Gazelle in de achterbak. Het idee dat ik net als jaren geleden weer onbekommerd over de weemoedige wegen in de driehoek tussen Axel, Sluis en Breskens zou fietsen fleurde me op. Ik had vanmorgen telefonisch een kamer in een Cadzands hotel besproken en als ik er zin in had kon ik vanavond laat al gaan uitwaaien op het strand.
Ze stak een exemplaar in een mapje met het logo van de uitgeverij en reikte het me aan met een plechtig gebaar.
‘Gefeliciteerd. We gaan er weer iets fraais van maken!’
Ik stak mijn glas proostend in de hoogte en dacht: nu vraagt ze naar mijn plannen voor een volgend manuscript en ik zit hier met lege handen.
‘Heb je misschien een aardige recente foto van jezelf?’ zei ze. ‘Anders laat ik er een maken door een prof.’
‘Foto?’
‘Voor de backcover van het boek en voor de aanbiedingsfolder van komend voorjaar. De foto die we nu gebruiken is al weer van een jaar of tien terug.’
Waarschijnlijk straalde ik een en al dommigheid uit. ‘Van toen je pas bij ons kwam, weet je nog?’ vulde ze aan. ‘We tekenden jouw eerste contract gewoon op kantoor.’
‘Het is toch best een aardige foto?’ Ik probeerde zo veel mogelijk protest in mijn stem te laten klinken.
Ze schudde van nee, trok het mondje van de alleswetende uitgeefster tegenover een goedbedoelende maar onnozele auteur en schonk het laatste beetje witte wijn uit in mijn glas. Mijn geloof in een positieve ommekeer ebde langzaam weg.
‘Vroeger was het vanzelfsprekend dat een goed boek ook goed verkocht,’ doceerde ze wijs. ‘Dat werkt inmiddels niet meer; het aanbod is te groot. Ik moet nu naast jouw boek ook jouw persoon als product promoten. En oude foto’s werken in dat opzicht averechts.’
‘Volgens mij is het juist slim om een beetje te smokkelen. Op die oude foto zie ik er jonger uit. Meer haar op mijn hoofd en zo.’
‘Je bent een ijdeltuit,’ zei ze op besliste toon. Haar grijze ogen achter het modieuze brilletje keken me streng aan. ‘Alle mensen hebben een ego en schrijvers gewoonlijk een grote, dus je hoeft je niet bescheiden voor te doen.’
‘Niet waar,’ zei ik. ‘Het interesseert me geen zier hoe ik erbij loop.’
‘Mij wel. Jouw doelgroep bestaat uit vijftigers en zestigers,’ ging ze onverstoorbaar verder, op een toon alsof ze een workshop voor aankomende uitgevertjes deed. ‘Merendeels vrouwen. Die kraaienpootjes hoeven geen jong hoofd op de cover. Dat schept geen band. Zelf hebben ze ook geen frisse kop meer en ze voelen zich eerder verwant met iemand van hun eigen soort. Daarom is een recente foto commercieel van belang. Het geeft de doorslag als ze in de boekwinkel met jouw Helletocht in hun handen staan.’
Dat moest even bezinken. ‘Dus ik stop mijn ziel en zaligheid in een spannend verhaal dat goed loopt en logisch in elkaar steekt .... ‘
‘Dat is wel een voorwaarde, ja.’
‘En of het dan wel of niet verkoopt wordt bepaald door .... de buitenkant!’
‘Mede.’
‘Mede?’
‘Ja, wat wil je nou? Schrijven is een vak; uitgeven ook. Alleen is de laatste van de twee nu eenmaal onderhevig aan economische wetten. Je hebt gelijk: het begint bij een goed en logisch manuscript. Als de inhoud vast ligt is jouw aandeel geleverd. Ik begin dan aan het volgende traject; de verpakking is minstens zo belangrijk als de inhoud.’
Ik stond op en schoof mijn stoel achteruit.
‘Ik ben dus een product dat in de markt gezet moet worden!’ zei ik nijdig, veel te luid.
‘Ga zitten,’ commandeerde ze. ‘En stel je niet zo aan. Dat ben ik niet van je gewend.’
De mussen vlogen er kwetterend vandoor. Ik voelde hoe de andere gasten op het terras naar me keken. Ik bleef staan.
‘Ik zal er over denken,’ zei ik. ‘Nu moet ik gaan. Bedankt voor de heerlijke maaltijd. Dag!’
‘Ga zitten, idioot!’ siste ze.
Ik verliet het terras en stak het plein over. Via de Hobeinstraat liep ik naar de parkeerplaats tegenover de oude spuikom en al die tijd snerpte haar stem tussen mijn oren.
Die kraaienpootjes hoeven geen jong hoofd op de cover ...
De verpakking is minstens zo belangrijk als de inhoud ...
Via Biervliet reed ik naar Hoofdplaat. Ik hield het stuur zo stevig vast dat de knokkels op mijn handen wit begonnen te zien.
Een foto geeft de doorslag als ze met jouw Helletocht in hun handen staan ...
Als de inhoud van je manuscript vastligt is jouw aandeel geleverd ...
Ik zette mijn auto onderaan de zeedijk, beklom de trap en haastte me naar het strandje.
Het was eb.
Er was geen mens te zien.
Langs de waterlijn scharrelenden groepen pleviertjes en een paar scholeksters stapten zoekend door de langwerpige plassen. Driehonderd meter verderop schoof een bulkcarrier traag en massief naar zee. In het wijds uitzicht daalde de stilte op me neer. Hier was ik op de grens van land en water. Op dit soort plaatsen voelde ik me thuis.
Ik trapte mijn schoenen uit, stopte de sokken erin en zette het duo netjes naast elkaar in het zand. Ik rolde mijn broekspijpen zo ver mogelijk op en liep het water in. Het zand was niet echt hard. Bij elke stap welde een zachte modderachtige brij tussen mijn tenen naar boven. Wijdbeens en met de armen over elkaar staarde ik naar de overkant, naar de samenvallende kustlijnen van Walcheren, het Sloe en de Zak van Zuid Beveland. Hier sta ik, dacht ik, midden in een zeelandschap dat zijn weerga niet kent, met alleen water en wat vogels om me heen. Daar aan de overkant wonen ze, over de Westerschelde en verder naar het noorden tot in Groningen toe, de mensen die in een boekwinkel staan met mijn nieuwe boek in hun hand. Merendeels vrouwen. Ze zien mijn foto op de achterkant, glimlachen een beetje en besluiten dat ze van zo’n onguur type maar beter niets kunnen kopen.
Ik wilde gaan lopen, nog wat verder de zee in, maar ik kreeg mijn voeten niet van hun plek. Ze zaten vastgezogen in de prut. Door de mislukte beweging verloor ik bijna het evenwicht. Heel even zoefde het begin van paniek door me heen. Als ik hier bleef staan? Zou ik dan millimeter voor millimeter verder in de zandbrij zakken? Bestond dit strand uit drijfzand? Stel dat ik hier verdween - zou de politie vroeg of laat mijn auto vinden en de vondst van een ‘onbeheerd aangetroffen voertuig’ rapporteren? Zouden de agenten het reden genoeg vinden om de trap van de zeedijk te beklimmen en verder te zoeken? Van mijn schoenen zouden ze niets terugvinden; die buitelden tegen die tijd ver van elkaar over de bodem van de Noordzee, voortgesleurd door twee verschillende onderstromen ...
Ik probeerde mijn blote voeten van links naar rechts en andersom te duwen. Met veel moeite ontstond er een minieme ruimte en liet het verzadigde zand mij los. Hoewel mijn broek tot in het kruis nat was geworden begon ik te lachen. Ik waadde naar de kant, greep de schoenen en liep tevreden terug naar de trap.
Ik had het begin van een nieuw verhaal te pakken.
Ik had het portier net open toen ik het mobieltje hoorde tingelen.
‘Waar ben je nu? Waarom liep je zo maar weg? Je hebt je contract laten liggen!’
‘Ik ben op het strand wezen wandelen. Ik heb een concept voor een nieuw verhaal.’
Het bleef even stil aan de andere kant.
‘Ik merkte al dat je er niet helemaal bij was. Kun je me na het weekend een synopsis sturen? Dan is je alles vergeven.’
‘Ik wil een foto waar ik met een witte zomerhoed op sta.’
‘Met een hoed?’
‘Het gaat toch om de verpakking? Een schrijver met een witte zomerhoed heeft iets ... vul maar in.’
‘Romantisch? Mysterieus?’
‘Zoiets.’
‘Fantastisch. Je hebt het dus toch begrepen. Het contract stuur ik wel op.’
Ik klikte het gesprek weg en schakelde het toestel met een tevreden gevoel uit.
Ik had drie, vier fietsdagen voor de boeg, een nieuwe verhaal dat tijdens elke tocht ongestoord door mijn hoofd kon spoken en een vers notitieblok was zo gekocht. Ik opende de achterklep, greep mijn koffer ging op zoek naar een droge broek.
Dit verhaal werd ook opgenomen in ‘Laaglandse Verhalen’, het vierde lustrumnummer van het literair periodiek ‘Ballustrada’ (november 2006).