John Brosens - Schrijver & Dichter
   

Home

Zoektocht 1
Zoektocht 2

Zoektocht 3
Zoektocht 4

Tijdsbeeld

Fotogalerij


 

 

Hoe het zo gekomen is

Aflevering 1

Ik kan precies mijn vinger leggen op het moment waarop mijn belangstelling werd gewekt voor het verhaal dat Koers Pal Noord zou gaan heten. Op 12 maart 1997 kreeg ik van mijn echtgenote de biografie van Michiel de Ruyter cadeau, ‘Rechterhand van Nederland’, geschreven door Ronald Prud’homme van Reine. We hadden die week plannen om eens flink in de tuin tekeer te gaan, maar het regende en stormde dagen achtereen. Het kostte me weinig moeite om een alternatief te bedenken; met het nieuwe boek installeerde ik me in de leesfauteuil, koffie en koekjes bij de hand.

(...) Als matroos maakte hij een hachelijk avontuur mee. Spanjaarden veroverden het schip waarop hij voer, en namen hem en de overige bemanning gevangen. De Ruyter raakte bij die actie in de linkerarm gewond, maar wist bij het aan land komen te ontsnappen, samen met twee andere matrozen. Zonder enige bezitting moesten zij gedrieën over land, via Frankrijk, naar De Nederlanden zien terug te keren. Dankzij de gastvrijheid van goedwillende mensen die zij op hun weg troffen, lukte dat. Brandt maakte naar aanleiding van dit verhaal de voor de hand liggende vrome opmerking dat dit een duidelijk bewijs was dat (...)

(‘Rechterhand van Nederland’, Arbeiderspers 1996, ISBN 90 29534869, p. 21)

Als daar niet een prachtig verhaal in zit, zal ik wel gedacht hebben. Dat daar niet meer dan één enkele alinea aan wordt gewijd! Zou er meer over geschreven zijn? De auteur van ‘Rechterhand van Nederland’ maakte gewag van een handvol biografen die zich vóór hem al in het leven van de bekende admiraal hadden verdiept.

De onrust was gezaaid. Ik ging op zoek en het duurde niet lang of ik mocht in een antiquariaat de allereerste biografie over De Ruyter inzien: ‘Het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter’, geschreven door Gerard Brandt in 1687. Uit het boek van Prud’homme van Reine wist ik dat Brandt de familie De Ruyter persoonlijk had gekend. De opdracht voor de biografie werd verstrekt door de enige zoon van Michiel de Ruyter die nog leefde: Engel de Ruyter. Brandt mocht alle bescheiden waarover de familie beschikte inzien en verkreeg zijn informatie uit de eerste hand.

In het antiquariaat bleef het bij inkijken; het exemplaar was erg prijzig - maar het Franse avontuur was snel gevonden. Later kreeg ik via de Stichting De Ruyter in Den Haag een fraaie kopie van die pagina.

(...) ‘Anderen verhaalen dat hy op een anderen tydt, noch voor matroos vaarende, toen enige Biskaaische of andre Spaansche scheepen zyn schip naamen, ook in zyns linken arm, of handt, werdt bezeert, en nevens al ’t scheepvolk geplondert en gevangen. Maar aan landt koomende, ontsprong hy zyn bewaarders, en ontliep het. Doch toen vondt hy zich in geen kleine verlegenheit, van alles ontbloot en in een vreemt landt; dies most hy, in het gezelschap van nog twee matroozen, door Vrankryk, meest te voet, naar ’t vaderlandt keeren. Ook perste hen de noodt met hun drien by beurten, onder ’t reizen, hunnen noodruft langs den wegh aan de huizen van berhertige menschen te zoeken, tot een klaar bewys dat de godlyke voorzienigheit somtydts mannen, die ze booven veele anderen wil verheffen in d ‘allergrootste ongeleegenheit en armoede laat vervallen opdat ze, tot beeteren staat gekomen, en hun teegenspoedt gedenkende, te meer meedogen zouden hebben met d ‘ellenden van anderen. (...)’

Na Gerard Brandt zijn er nog een aantal biografieën gepubliceerd. Na een bezoek aan de boekenmarkten van Dordrecht, Deventer en Bredevoort beschikte ik in het najaar van 1997 over exemplaren van Stamperius (1907), Blok (1928), Van Wessem (1937), Lunshof (1941), P. De Zeeuw (1953), Norel (1956), Scheffers (1957) en Jespers (1974). Uiteraard was ik al in het bezit van ‘Vlissinger Michiel’ van J. Roelink (1957); dit boekje kregen alle leerlingen van de hoogste klassen op de Vlissingse lagere scholen uitgereikt ter gelegenheid van Michiels 350 e geboortejaar.

Niet zo lang geleden tikte ik in Leiden nog een goedkope herdruk van Brandts boek op de kop; in het jubileumjaar 1907 in klein formaat uitgegeven als ‘goedkope volkseditie’.

In ieder exemplaar bladerde ik meteen door naar het Franse Avontuur van 1623, maar elke schrijver stelde me teleur. Na het draaien aan het touwslagerwiel, het wegsturen uit de schoolbanken en het beklimmen van de Sint Jacobstoren stoomden zij meestal regelrecht door naar de grote heldendaden van stuurman en schipper De Ruyter, roepend over de zeeslagen en koerend over het strategisch vernuft van de zeeheld. De inhoud van de alinea bij Brandt werd - al of niet voorzien van diens vrome toevoeging - klakkeloos overgenomen. Eigentijdser geformuleerd, dat wel.

Blijkbaar vond niemand het Franse Avontuur belangrijk.

‘Zestien jaren, De Ruyter vaart weer. De Biskaaiers, kwade zeerovers, enteren het schip. Hij krijgt een wond, de eerste en ook de laatste, tot hij zooveel jaren later als Luitenant – Generaal – Admiraal het doodelijk schot zal ontvangen. Het schip waarop hij vaart wordt genomen. Bedelend zwerft hij van de Spaansche kust naar Vlissingen terug. Weer op zee. Zoo slaat het leven toe.’

(De Stuurman van de Groene Leeuw’, H. A. Lunshof , 1941, pag. 21)

‘Anderen vertellen echter dat hij op zekere dag – hij was toen al volle matroos – gewond en gevangen genomen werd door Spaans scheepsvolk in de Golf van Biscaye. Michiel werd aan land gebracht, maar wist te vluchten. Overdag verschool hij zich in de rotsen van de Franse westkust, ’s nachts doolde hij rond op zoek naar wat voedsel. Toen ontmoette hij twee lotgenoten. Wekenlang duurde hun dwaaltocht door het grote, vreemde Frankrijk, maar eindelijk zagen ze hun land terug.’

(‘Michiel de Ruyter, onze zeeheld’, Hendrik Jespers, 1974, pag. 51/52)

Ik realiseerde me dat de gemiste kans van anderen voor mijzelf een buitenkans kon betekenen en begon te filosoferen over het traject dat Michiel en zijn kornuiten afgelegd zouden hebben. Waar waren ze aan land gebracht? Hoe zat dat eigenlijk met eten, drinken, slapen? Hoeveel kilometer hadden ze feitelijk af te leggen? Hoe zat dat met de wegen, met de dorpen en steden onderweg? Hoe zat dat met rivieren die ze tegenkwamen? Hoe zat dat met reizen door Frankrijk aan het begin van de twintiger jaren van de zeventiende eeuw? Moest je daar tol betalen? Waren er herbergen? En .... wat at men zoal in die tijd?

Ik begon kriskras informatie te verzamelen en bij het ordenen daarvan ontstond tot mijn verbazing een logisch patroon. Al snel prikte ik drie conclusies op het bord in mijn werkkamer:

1. de terugtocht naar Vlissingen moet wel hebben bestaan uit het volgen van de kustlijn naar boven: Koers Pal Noord, zogezegd;

2. het reisdoel zal in eerste instantie de protestantse vrijhaven La Rochelle zijn geweest omdat daar schepen van De Provinciën kwamen en gingen;

3. Michiel en zijn kornuiten beschikten over eigenschappen en vaardigheden om deze levensgevaarlijke tocht tot een goed einde te brengen.

Welke waren dat?

Wat voor profiel kon ik aan hen toekennen?

Met deze uitgangspunten in het hoofd kon ik gericht op zoek naar meer informatie. Zou het te achterhalen zijn wie het schip waarop Michiel voer had veroverd, hoe het heette en wat er van de bemanning geworden was? Was La Rochelle in 1623 toegankelijk, gezien de twisten die Frankrijk in dat tijdsdeel kende? Vonden ze daar een schip naar huis?

John Brosens

Februari 2006