Hoe het zo gekomen is
Aflevering 2
Gerard Brandt meldt in zijn biografie dat Michiel de Ruyter zich “mans soldij trekkend” bij het beleg van Bergen op Zoom moedig gedroeg en “herhaaldelijk buit op de Spanjaarden” wist te behalen. Hij was een van de honderden schepelingen die in allerijl werden opgetrommeld om het leger van de Prins te versterken omdat er een enorm tekort aan “konstabels of busschieters” was ontstaan. Ook Michiel de Ruyter gaf gehoor aan de oproep van Maurits. Toen Bergen op Zoom het Spaanse juk op 2 oktober van zich afschudde keerden al die zeelui weliswaar met een gevulde beurs huiswaarts, maar hun stemming zal somber zijn geweest door de wetenschap dat hun gewone stiel in de komende wintermaanden zoals altijd vrijwil stil zou liggen. Van Michiel weten we echter dat hij nog in datzelfde jaar “ten oorlog begon te varen”.
Vanaf eind februari 1623 kwam in Vlissingen de kaapvaart weer op gang. Het tijdstip van Koers Pal Noord moeten wij dan ook in het voorjaar van 1623 plaatsen.
Een zoektocht door “ Histoire de la France” van Pascal Balmand toverde een bijzonder onrustig beeld van dat jaar tevoorschijn. De jonge koning Louis XIII deed verwoede pogingen om greep op de zuidwest regio van Frankrijk te krijgen. Door het beleid van zijn vader hadden regionale graven, hertogen en landheren zoveel vrijheid verworven dat zij meenden af te kunnen zien van verdere bijdragen aan de koninklijke schatkist. La Rochelle begon zich – met de Zeven Provinciën als voorbeeld - als een onafhankelijke stadsrepubliek te gedragen. De autoriteit van de Kroon was in het geding; Louis XIII zag zich gedwongen een leger op de been te brengen om de streken rond Bordeaux opnieuw onder zijn gezag te brengen. Vanaf 1627 zou zijn minister Armand de Plessis, Kardinaal de Richelieu, dit karwei voortvarend ter hand nemen, resulterend in de totale ondergang van het protestantisme in Zuidwest Frankrijk en het uithongeren, beschieten en in de as leggen van La Rochelle.
Gerard Brandt bood slechts één aanknopingspunt voor het aan land brengen van Michiel en zijn kornuiten: een thuishaven van “eenige Biskaaische of andere Spaansche schepen”.
In de zomer van 2004 trok ik voor een studiereis naar het zuiden. Met drie afspraken op zak: het scheepvaartmuseum van San Sebastian, het Stadsarchief van La Rochelle en het ecomuseum Marquèze te Sabres ten zuiden van Bordeaux.
Dankzij de bemiddeling van de stadsarchivaris van Vlissingen, de heer Adri Meerman, had ik een in het Frans vertaalde aanbevelingsbrief van de Vlissingse burgemeester op zak. Wonderbaarlijk hoeveel Franse deuren daarmee opengaan ....
In het scheepvaartmuseum van San Sebastian begreep men niets van mijn komst; de directeur was op studiereis naar Moskou en ik moest gewoon een kaartje kopen. Maar Ana Iza, bibliothecaresse, bleek van mijn komst op de hoogte. Ze had aan de hand van mijn vragen aardig wat voorwerk gedaan en een standaardwerk (*1) over “de vrije nering” voor mij klaarliggen. Gelukkig sprak ze een beetje Engels.
Het bleek dat de kaapvaart in en om de Spaanse wateren even welig tierde als in onze streken. De Spaanse koning zette zogenaamde “corsarios coronas” in: kapiteins met een licentie om alles wat uit Engeland of “Paysos Basos” afkomstig was aan te vallen en te gelde te maken. De helft van de opbrengst ging naar zijn schatkist.
Het onderzoek in het boekwerk was moeizaam, maar had na verloop van tijd resultaat: in april 1623 bleek er één kaperschip uit de Lage Landen opgebracht te zijn, door een galei waarop kapitein Pedro de Aguirre het commando voerde. Het schip had de naam “Honte”, werd geboekt als een “barco flamenco” en in het haventje van Fuenterrabia aan de ketting gelegd.

Helaas gaven de statistieken geen uitsluitsel over de naam van de Zeeuwse kapitein of wat er van de bemanning is geworden. De bibliothecaresse twijfelde geen seconde: ongetwijfeld was alles in beslag genomen, had Pedro de Aguirre een vette bonus geïncasseerd en is de bemanning naar de slavenmarkt of, waarschijnlijker, naar de galeien getransporteerd.
Een feit is echter dat het haventje van Fuenterrabia aan de Bidassoa ligt – een smalle rivier met Frankrijk aan de overkant. Het eerste spoor van Michiels avontuur was gevonden. Bingo.
Het Écomusée de la Grande Lande “Marquèze” te Sabres (*2) is vergelijkbaar met het Openluchtmuseum te Arnhem. Het is echter alleen via een smalspoor bereikbaar. Tijdens de zondagen in het zomerseizoen brengt een stoomlocomotief de bezoekers naar het terrein: een open plek in het bos met de omvang van ruim vijf voetbalvelden. Op andere dagen trekt een ronkende diesel de wagons. In de “Marquèze” toont men je alles over de oude ambachten met betrekking tot de veeteelt, visserij en akkerbouw in de eeuwen die achter ons liggen; ook is er te zien wat men zoal in de zestiende en zeventiende eeuw at en dronk. Koers Pal Noord is het verhaal van een lange moeizame tocht onder soms barre omstandigheden – Michiel en zijn maats zullen onderweg naar eten gezocht hebben. Wat konden ze vinden langs de weg, op akkers of in onbewaakte moestuinen? Gerard Brandt laat er geen twijfel over bestaan dat ze werkend, scharrelend en bedelend naar Vlissingen trokken. Het ecomuseum lichtte mij voor: zij hebben ongetwijfeld brood, soep, wortelen, pastinaak (een voorloper van de aardappel die ook rauw gegeten werd), sla, zoete appelen, appelen, zeekool (vergelijkbaar met asperges) en lamsoren gegeten. Wellicht vingen ze een enkele keer een haas, konijn of een ander dier en aan de kust wisten ze zonder twijfel wel zeekraal, lamsoren, kreukels, mosselen en oesters te vinden.
De directeur van het écomusée stuurde mij door naar een bevriende amateur-historicus, een pastoor te Mimizan, omdat hij vermoedde dat de reizende zeelieden onvermijdelijk op het retourpad van de pelgrimsroute naar Compostella waren beland. Het bleek een logische gevolgtrekking die ik dan ook van harte in het verhaal van Koers Pal Noord heb geïntegreerd. Van de abdij te Mimizan waar de pelgrims onderdak vonden rest nu slechts nog één toren – de maquette van het oorspronkelijke gebouw mocht ik bekijken en fotograferen.
De stadsarchivaris van La Rochelle, Sylvie Denis, trok een hele dag voor mij uit. Het jaar 1623 kwam zo volledig gedocumenteerd als maar kon op tafel – helaas is er door de oorlogshandelingen in de zeventiende eeuw veel verwoest. Frappant: in die zomer – in de tijd dat Michiel en zijn makkers de stad bezocht moeten hebben – verdween een brieventas van een koerier des konings en de inhoud kwam via rondtrekkende zeelieden in de handen van het stadsbestuur terecht. Uit deze correspondentie bleek het verraad van Louis XIII: het verdrag dat hij met La Rochelle sloot saboteerde hij in het diepste geheim vanaf het begin.
Mevrouw Denis vertelde me dat alle Franse steden vanaf de middeleeuwen verplicht zijn een jaarboek bij te houden waarin de belangrijkste gebeurtenissen (denk daarbij aan de uitgevoerde bouwplannen, aanstellingen van functionarissen, rechtszaken, huwelijken van voorname ingezetenen, maar evengoed voorvallen als moord, brandstichting en diefstal) worden genoteerd. Vanaf 1804 werden de jaarboeken (ook die uit het grijze verleden) netjes gedrukt en bewaard, zowel plaatselijk als – uiteraard - te Parijs. (*3)
Het jaarboek van 1623 was in 1923 aan de beurt om gezet en gedrukt te worden en het exemplaar dat ik mocht inzien was puntgaaf. Met witte handschoenen aan mocht ik het raadplegen in de hypermoderne Médiathèque Michel Crépeau te La Rochelle.
Tot mijn verrassing vond ik wel vier aanknopingspunten voor Koers Pal Noord. Allereerst het gegeven dat Louis XIII het voornemen had La Rochelle te bezoeken, maar dat hij als zekerheid bedong dat een groep vooraanstaande burgers als gijzelaars in het onder zijn controle staande Brouage werden vastgehouden. Toen de gijzelaars terugkeerden reisde er een groepje buitenlandse zeelieden mee. Datzelfde groepje was vervolgens te La Rochelle betrokken bij de aanhouding van een brandstichter en de eerder besproken onderschepte post van een koerier des konings. En tenslotte vertrok dat groepje uit La Rochelle noordwaarts, op de “Saint François”, een in beslag genomen schip uit het koningsgezinde Nantes dat na betaling van een flink losgeld naar haar thuishaven mocht terugkeren. Het grootste deel van de bemanning was gedrost en en paar extra handen – met ervaring - waren bijzonder welkom.
Het was duidelijk: de route van Koers Pal Noord voerde langs de Atlantische kust van Fuenterrabia naar Brouage en La Rochelle, waarbij waarschijnlijk een deel van de pelgrimsroute uit Compostella werd gebruikt. De reis werd vanuit La Rochelle per schip voortgezet naar Nantes.
John Brosens
April 2006
*1. Los Corsarios Españoles Durante La Decadentia De Los Austrias – Enrique Otero Lana (Editorial Naval, Madrid, 1992)
*2. Écomusée de la Grande Lande “Marquèze”
40630 Sabres
http://www.parc-landes-de-gascogne.fr
*3. Annuaire 1623 – Commune de La Rochelle 1923
Mediatheek Crépeau, Avenue Michel Crépeau , 17137 La Rochelle
http://www.mediatheque.lr@wanadoo.fr