Hoe het zo gekomen is
Aflevering 4
Het kunststukje “oversteken van een schiereiland” is ons viertal bij Bretagne gelukt en heeft hen tijdwinst opgeleverd. Het dient dus na het aandoen van Le Mont Saint Michel bij Normandië herhaald te worden. Voorbij Caen is de monding van de Seine de enige grote hindernis. Deze was in het begin van de zeventiende eeuw ter hoogte van Honfleur zo’n zeven kilometer breed. De Pont de Normandie hoeft tegenwoordig slechts een slordige duizend meter water te overbruggen - in de vorige eeuw is er ten zuiden van Le Havre een reusachtig omdijkt industrieterrein aangelegd.
Ik stipte het in aflevering 3 al aan: het is vanaf dit punt gedaan met voorspoedig reizen. Ze zijn zich er niet van bewust dat sinds hun vertrek uit La Rochelle patrouilles van het Koninklijk leger naarstig naar vier rondtrekkende zeelieden uitkijken. Een koerier van Lodewijk Xlll is van een uiterst vertrouwelijke brief beroofd die in de handen van tegenstanders de reputatie van de Koning ernstig kan schaden. Bij die overval zouden vier noordwaarts reizende matrozen betrokken zijn. Dit is niet zo maar een gimmick om Koers Pal Noord spannend te maken .... we hebben hier te maken met een historisch feit.
In Caen krijgen Michiel en zijn makkers noodgedwongen met een chirurgijn te maken. In die tijd heette in Frankrijk zo iemand een ‘apothicaire’ en in tegenstelling tot hun collega’s in De Nederlanden waren dit goed opgeleide, hygiënisch werkende en dus behoorlijk prijzige vaklieden. Het zetten van Barts gebroken arm gebeurde niet pijnloos, maar wel vakkundig en de ingreep soupeerde het volledige reiskapitaal op. Als ze met de hulp van een goedmoedige visser de Seine oversteken merkt Michiel dat hij zich niet lekker voelt: hij heeft bedorven vis gegeten. Bart wordt koortsig en begint te hallucineren.
Door slecht weer en gebrek aan eten neemt hun conditie snel af. Totaal uitgeput komen ze aan de rivier de Saâne. (* 1) Tolgeld om de brug over te gaan hebben ze niet. Ze zakken tegen een muurtje en leggen een muts neer in de hoop dat iemand er een muntje in werpt. Een groep soldaten rekent de bedelaars in en smijt hen in Dieppe in de kerker. Het moet een dieptepunt in hun leven zijn geweest. Wegens hun deplorabele toestand schuift het stadsbestuur hen echter na een kort verhoor door naar Notre Dame de Bon Secours, een hospitaal voor geesteszieken buiten de noordelijke stadspoort, op een rots hoog boven de zee. Daar neemt een der paters hen onder zijn hoede. Hier kunnen ze in alle rust aansterken. Het is een herijking in het leven van een van onze helden, Bouwen Ewouts. Ik heb hem in het verhaal neergezet als een papenvreter, een hartgrondig hater van alles wat naar katholicisme riekt – want zo waren er nogal wat in die tijd. Maar Bouwen, kleinzoon van een bekend Vlissings admiraal naar wie nog een straat is vernoemd, ontdekt dat je niet alle ‘paapse priesters’ op één hoop kunt gooien. De kabouterkleine “Père Jean” is een kundig en ruimdenkend man die hen pas laat gaan als ze weer volledig zijn aangesterkt. Hij dringt hen niets op, laat hen geen kaarsjes branden of beloftes doen en rekent geen kosten voor de bewezen diensten: barmhartigheid in de praktijk.
Het hospitaal is intussen verdwenen, maar op dezelfde plaats staat nog steeds een kerk, gewijd aan zeevarenden, met de naam Notre Dame de Bon Secours – Onze Lieve Vrouwe van de Goede Hulp. (*2)
Een tocht langs deze kust biedt de wandelaar prachtige vergezichten en imposant natuurschoon, waaronder de fraaie kalksteenrotsen van Etretat en de falaises van Vaucottes en Aval. Het is zeer de vraag of Michiel, Bart, Bouwen en Gilles daarvan hebben genoten. (*3)
Vanaf Dieppe is het nog een kilometer of veertig tot aan de rivier de Somme – in die tijd de uiterste grens van het Nederlands taalgebied. Nog heden ten dage spreken de oudere mensen een begrijpelijk Vlaams dialect. Ergens bij Hucqueliers (departement de Somme) hoorde ik van een oude boer dat hij ‘erpels’ verbouwde ....
Dat houdt echter absoluut niet in dat de reizigers veilig zouden zijn op het moment dat ze de Somme overstaken. Integendeel. Vlaanderenland was immers in Spaanse handen en steden als Duinkerken en Oostende konden ze beter maar mijden.
Tijdens mijn zoektocht door deze streken stuitte ik ergens boven Abbeville op een dorp met een bijzondere naam: Machiel. (*4) Ik heb geprobeerd iemand te vinden die me iets kon vertellen over de herkomst ervan. Het is me helaas niet gelukt. Het zou natuurlijk heel fraai zijn geweest als onze Michiel – die tenslotte in goed zeventiende eeuws Vlissings als Machiel werd aangesproken – er iets mee te maken had gehad.
De eerstvolgende haven van enige omvang is Boulogne, nu een belangrijke plaats voor de visaanvoer voor de Parijse markt. In de zeventiende eeuw deden tal van Zeeuwse en Hollandse schepen deze plaats aan en de vier matrozen zullen er hun diensten hebben aangeboden om te timmeren, breeuwen of zeilen en netten te repareren om zo wat geld te verdienen, hun vertrek zo lang mogelijk uitstellend in de hoop dat er een schip naar het noorden de haven zou aandoen.
En route daarna is Calais slechts schijnbaar een logische stopplaats, want daar kwamen ze zeker niet binnen. In 1623 liet men daar beslist geen buitenlanders toe. Waarom?
Calais heeft tweehonderd jaar een Engelse bezetting gehad. De Engelsen joegen de bewoners van Calais de poorten uit en vervingen hen door families die ze uit Engeland lieten overkomen. Toen de Fransen de stad weer in bezit kregen draaiden ze net zo rigoureus de rollen om en sloten de poorten voor iedereen die een andere taal dan Frans sprak.
Ik wil deze gelegenheid gebruiken om de reputatie van het verderop gelegen Duinkerken aan de orde te stellen. Door onze geschiedschrijving bestaat er tot op de dag van vandaag een negatief beeld van deze Noordfranse havenstad. Dat is niet terecht. Natuurlijk zaten daar de kapers, aangestuurd door de Spanjaarden, om de schepen uit De Zeven Provinciën waar dat maar kon aan te vallen en zonder pardon de lading over te nemen. In Vlissingen en Middelburg werd dat net zo aangestuurd, maar dan met Spanje als vijand. Toch vinden wij allemaal dat in Vlissingen en Middelburg uitermate fatsoenlijke kooplui en handwerkslieden woonden die hun stad op een nette burgerlijke manier bestuurden. Wel, in Duinkerken was dat net zo. Duinkerken paste qua beeld heel goed in het rijtje Harlingen, Enkhuizen, Hoorn, Delft, Zierikzee en ga zo maar door ....
John Brosens
juni 2006
De met een * aangemerkte namen zijn opgenomen in de fotogalerij.